14 en 15 september 2010
Gent
Geestelijke gezondheid: kiezen en delen

lezingen


De lezingen welke doorgingen tijdens het vijfde ggzcongres op 14 en 15 september 2010 te Gent welke het thema: 'Geestelijke gezondheid: kiezen en delen' droeg kan u hieronder terugvinden.


Keynotelezing 1:
dinsdag 14 september 2010, 10u00 - 11u00

Comprehensive community based mental health services in Birmingham: evidence, experience and the importance of engaging young people
Max Birchwood, professor, University of Birmingham, School of Psychology, College of Life and Environmental Science; Clinical Director,YouthSpace Mental Health Programme, Birmingham and Solihull Mental Health Trust, Birmingham
Comprehensive community mental health services have been a feature of UK services for over 20 years since the closure of our large psychiatric hospitals. In the last 10 years there has been considerable investment in community mental health services as part of the UK's 'National Service Framework' for mental health (1999) and 'National Plan' for investment in 2001. Home treatment teams were established to manage crises and relapse at home and to manage the 'gateway' to admission beds; ACT teams manage the most difficult to engage and risky clients; and early intervention in psychosis teams provide intensive care for first episode psychosis. These work alongside community mental health teams (CMHTs). I will describe the evidence base for these developments and describe their use in Birmingham which provided the model for the UK. I will also describe some of their limitations, including the difficulty in providing attractive services for young people under 25 years; and I will conclude with an account of Birmingham's redesign of the service structure to improve their acceptability and efficiency.
(*) Deze lezing verliep in het Engels.

Uitgenodigde lezing 1:
dinsdag 14 september 2010, 14u15 - 15u15
Functie Assertive Community Treatment (FACT): van overleven naar leven in de maatschappij
Remmers van Veldhuizen,
psychiater, directeur, Zorgvernieuwing GGz Noord-Holland
Tot voor kort was de zorg en behandeling voor patiënten met ernstig psychiatrische aandoeningen in Nederland gebaseerd op opnames in het ziekenhuis en poliklinische nazorg. Zowel in ziekenhuis als thuis was het veelal een kwestie van ‘overleven’. De kliniek is ondanks goede bedoelingen een toxische (verblijfs)omgeving, waar het moeilijk is iets eigens op te bouwen. En poliklinische hulp zonder huisbezoek is insufficiënt voor deze groep.
De ACT (Assertive Community Treatment) uit de USA bracht assertive outreach waarbij de patiënt in eigen omgeving wordt begeleid. De hulpverleners gaan naar de patiënt toe, geven support en trainen thuis, bemiddelen met instanties. Dit inspireerde ons tot het FACT-model (Functie ACT), dat meer continuïteit van zorg biedt en meer wijkgebonden werkt. Deze teams zijn multidisciplinair en kunnen schakelen tussen minder en meer intensieve zorg door het hele team. Dagelijks huisbezoek is mogelijk. Dit is een verandering van een institutionele aanpak (waar het individu moet passen in de geboden zorg) naar een individueel ondersteuningsparadigma: wat heeft de patiënt nodig om in de maatschappij een eigen leven te leiden. De FACT-ontwikkeling gaat snel. De werkwijze spreekt professionals en klanten erg aan. Er is een handboek en een modelgetrouwheidsschaal. Eind 2010 zijn er in Nederland 150 FACT-teams. FACT maakt reductie van psychiatriebedden haalbaar.
In deze lezing schets ik het FACT-model, de impact daarvan op de patiënt en de familie en de grote veranderingen in het ggz-systeem. In de discussie bespreken we of dit model nuttig kan zijn voor België.
Referenties
Veldhuizen, J. R. van, Bähler, M., Polhuis; D. & van Os, J. (red.) (2008). Handboek FACT. Utrecht, De Tijdstroom

Uitgenodigde lezing 2:
dinsdag 14 september 2010, 16u15 - 17u15
Psychotherapie in tijden van neoliberale meritocratie
Paul Verhaeghe,
hoogleraar, Vakgroep Psychoanalyse en Raadplegingspsychologie, Universiteit Gent
Ons vakgebied heeft de laatste decennia ingrijpende veranderingen beleefd. Op het vlak van methoden is er een groeiende vraag naar bewijzen inzake de effectiviteit. Op het vlak van de organisatie krijgt de gezondheidszorg vorm in een aantal grotere structuren, waarin een nieuw managementdenken centraal staat. Op het vlak van cliënten hebben we een duidelijke verschuiving meegemaakt waarbij een aantal stoornissen veel en veel frequenter optreedt dan vroeger.
De stelling van mijn lezing is dat deze drie veranderingen deel uitmaken van één groter geheel, met name de totale vermarkting van onze samenleving. De neoliberale meritocratie veroorzaakt steeds meer individualisering in combinatie met een toenemende ongelijkheid en een dalend gevoel van controle of ‘agency’. Dergelijke factoren gelden zowel voor patiënten als therapeuten en zijn zowel psychisch als medisch ziekmakend. Op de koop toe maakt dit systeem haar eigen invloed onzichtbaar, waardoor de stoornis des te meer als een persoonlijk falen ervaren wordt. Het geloof in een biologisch-genetische oorzaak biedt dan een welkome ontsnapping.
Daartegenover hou ik een pleidooi voor contextualisering en een sociale psychiatrie. En het zal inderdaad een kwestie van kiezen en delen worden.
Referenties
Verhaeghe, P. (2009). Het einde van de psychotherapie. Amsterdam, De Bezige Bij

Uitgenodigde lezing 3:
woensdag 15 september 2010, 11u30 - 12u30
Liefde voor het klinisch werk in tijden van management
Marc Desmet,
arts palliatieve zorg, Virga Jesseziekenhuis, Hasselt
Ziekenhuizen en verzorgingsinstellingen worden in toenemende mate gerund als bedrijven. Marc Desmet, arts palliatieve zorg, vertolkt de ervaring van wie met de zieken zelf werkt, weliswaar in een algemeen ziekenhuis. Maar anderen zullen zich ook herkennen in de confrontatie met onophoudelijke veranderingen en met een ‘geïnstitutionaliseerd wantrouwen’ onder de vorm van metingen, procedures en zorgpaden. Deze wekken de indruk dat kwaliteit niet meer met relatie, attitude en betrokkenheid te maken heeft. Vele ‘middelpuntvliedende krachten’ halen zorgverleners weg van de kern van de zorg en leiden tot vervreemding en tot onbegrip voor wat ‘het management’ doet, mede onder druk van de overheid. Er zijn vragen bij het verhoudingsgewijs groeiend aantal kaderleden en dure externe experts, en bij de verminderde autonomie van artsen.
Erkenning van deze werkvloerervaring is een essentiële stap in een broodnodige dialoog tussen zorg- en managementkant. Daarnaast geeft enig inzicht in het moderne ‘ziekenhuisbedrijf’ meer wederzijds begrip en meer mentale grip op een complexe situatie. Vele werelden komen immers samen in het ziekenhuis: artsen, verpleegkundigen en paramedici, ondersteunende dienstverleners, managers, directies, bestuurders en overheid hebben elk een eigen verhouding tot de instelling en eigen organisatieprincipes. Hoe verwordt hun gemeenschappelijk doel, de zorg voor de zieke, niet tot een slogan?
De jezuïet-arts Marc Desmet heeft hierbij uiteindelijk een spirituele bezorgdheid: wat wordt er van de liefde voor het werk in een ‘gezondheidsbedrijf’? Vanuit zijn spirituele, medische en workshopervaring geeft hij tips mee om te kunnen ‘kiezen en delen’, ook in de geestelijke gezondheidszorg.
Referenties
Desmet, M. (2009). Liefde voor het werk in tijden van management. Open brief van een arts. Tielt, Lannoo

Uitgenodigde lezing 4:
woensdag 17 september 2010, 14u00 - 15u00
Keuzen in de geestelijke gezondheidszorg: een gezondheidseconomische visie
Lieven Annemans,
hoogleraar, Vakgroep Maatschappelijke Gezondheidkunde, Universiteit Gent
Er is toenemende aandacht voor doelmatigheid in het gezondheidsbeleid. Inderdaad, als we veel gezondheid willen winnen met de beperkte financiële middelen, moeten we het geld toewijzen aan die behandelingen die het meest gezondheid opleveren per geïnvesteerde euro. Men kan geld immers slechts éénmaal uitgeven, en als we het verkeerd uitgeven missen we de opportuniteit om met dat geld betere dingen te doen. Ook de OESO stelt dat er meer analyses van kosten en (gezondheids)baten nodig zijn evenals stimuli om gezondheidswerkers aan te zetten tot doelmatige zorg en preventie.
Gezondheidswinst wordt vaak uitgedrukt in Quality Adjusted Life Years (QALY’s) – vrij vertaald, ‘naar kwaliteit aangepaste levensjaren’. In eenvoudige termen zou men deze eenheid van gezondheid kunnen beschrijven als kwaliteitsvolle levensjaren. Een QALY heeft een economische waarde. Volgens de WHO is in een gemiddeld Westers land een investering in gezondheid, die minder dan € 30.000 kost om één QALY te winnen een kosten-effectieve investering.
Maar er is meer dan doelmatigheid. Uit studies blijkt dat de maatschappij duidelijk een voorkeur geeft aan het behandelen van meer ernstige toestanden. Dat verklaart waarom behandelingen bij meer ernstige problemen toch aanvaard worden, ondanks een soms slechte kosten-effectiviteit, terwijl bepaalde kosten-effectieve behandelingen geweigerd worden, omwille van een (althans gepercipieerde) mindere mate van ernst.
Het probleem met vele psychiatrische condities is, naast het vaak ontbreken van gegevens over de baten van de behandelingen, dat deze door de maatschappij – verkeerdelijk – als niet zeer ernstig worden beschouwd. Daardoor wordt hun terugbetaling vaak in vraag gesteld.

Keynotelezing 2:
woensdag 15 september 2010, 16u00 - 17u00
Pillen en praten bij de behandeling en preventie van depressie. De stand van kennis
Pim Cuijpers,
hoogleraar, Faculteit der Psychologie en Pedagogiek, Afdeling klinische psychologie, Vrije Universiteit Amsterdam
In de afgelopen drie decennia zijn meer dan 250 gerandomiseerde trials uitgevoerd naar de effecten van psychologische behandeling van depressie en gecombineerde behandelingen van psychotherapie en medicatie.
In deze lezing wordt een overzicht gegeven van wat dat onderzoek heeft opgeleverd. Weten we nu ‘welke behandeling, door wie uitgevoerd, het meest effectief is bij deze patiënt?’ Is psychotherapie even effectief als farmacotherapie en zijn gecombineerde behandelingen beter dan psychotherapie of dan farmacotherapie alleen? Is psychotherapie ook effectief bij ouderen, bij mensen met chronische depressies, bij opgenomen patiënten, bij mensen met lichamelijke aandoeningen, bij vrouwen met postpartum depressie? Zijn cognitieve gedragstherapie, psychodynamische therapie, problem-solving therapie en interpersoonlijke psychotherapie even effectief of zijn sommige therapieën toch beter dan anderen? Is individuele therapie beter dan groepstherapie? En is begeleide zelfhulp even effectief als face-to-face behandelingen? Kan een behandeling ook via het internet worden uitgevoerd, zonder enige vorm van begeleiding door een professional? Moet een therapie uitgevoerd worden door een psychotherapeut, of kan dat ook door een paraprofessional (zoals een verpleegkundige) gedaan worden? Is er bij onderzoek naar psychotherapie ook sprake van publicatiebias, net zoals bij antidepressiva het geval is?
Deze en vele andere vragen over de behandeling van depressie worden tijdens de lezing beantwoord. Tevens wordt ingegaan op de vraag wat bekend is over hoe psychotherapieën werken en wat de werkzame bestanddelen zijn. Ten slotte staan we stil bij de toekomst. Daarbij zal duidelijk worden dat, met name, de behandeling van chronische depressies, residuele klachten en terugvalpreventie belangrijke onderwerpen zijn waarover nog onvoldoende bekend is.