14 en 15 september 2010
Gent
Geestelijke gezondheid: kiezen en delen

posters


De posters die gepresenteerd werden tijdens het vijfde ggzcongres op 14 en 15 september 2010 te Gent welke het thema: 'Geestelijke gezondheid: kiezen en delen' droeg kan u hieronder terugvinden.


Poster 1
Een geïntegreerd geestelijk gezondheidbeleid op secundaire scholen: tussentijdse resultaten van het project ‘coaches’
Sylvie Ackaert,
preventiecoach Oost-Vlaanderen, Logo Dender, Aalst
Achtergrond onderzoek
(Green et al., 2005) heeft uitgewezen dat geestelijke gezondheidsbevordering op school effectief is wanneer het 1) gericht is op geestelijke gezondheid, eerder dan op geestelijke gezondheidsproblemen, 2) continu en op langere termijn wordt aangeboden, 3) ook een verandering van het schoolklimaat inhoudt, 4) voorbij de muren van het klaslokaal gaat en ook mogelijkheden biedt de aangeleerde vaardigheden in te oefenen, 5) een gehele schoolbenadering gebruikt, 6) gericht is op hoogrisicogroepen voor het aanleren van copingvaardigheden en de ontwikkeling van sociale vaardigheden en goede relaties met leeftijdsgenoten en 7) focust op de verbetering van de zelfachting, zelfconcept en copingvaardigheden als een universele aanpak, alsook gericht op specifieke levensgebeurtenissen. De effecten zijn een betere geestelijke gezondheid, een verhoging van sociale vaardigheden en een vermindering van angst en depressieve symptomen (Jané-Llopis et al., 2005, Jané-Llopis & Barry, 2005).
Project
Vanaf medio 2009 loopt in Vlaanderen het project ‘coaches geestelijke gezondheidsbeleid op school’. Dit project werkt vanuit bovenstaande visie. Doel van deze coaches is optreden als procesfacilitator en adviesverlener van de scholen op weg naar een geïntegreerd geestelijk gezondheidsbeleid op school. Het project loopt tot augustus 2012.
De poster stelt de tussentijdse resultaten voor, verzameld in het schooljaar 2009-2010.

Poster 2
De correlatie tussen resilience en burn-out
Michael Portzky,
psycholoog, coördinator psychodiagnostiek, PC Sint-Jan de Deo; UZ Gent K12F, Gent
Achtergrond
De voordelen van het inschatten van iemands resilience/mentale veerkracht worden steeds duidelijker, en niet louter binnen de wereld van de psychiatrische problematieken. Ook de sector van de bedrijfspsychologie en human resourcing sluit aan. Niet verwonderlijk dat snel de vraag opkwam welke relatie er zou zijn tussen mentale veerkracht en burn-out, een aandoening die steeds meer mensen lijkt te treffen.
Doel
Is er een correlatie tussen resilience en burn-out? Tevens wordt gekeken of resilience een mediërende invloed heeft op het ervaren van werkdruk: zullen personen met een hogere mentale veerkracht minder werkdruk ervaren?
Methode
Bij een groep van 79 leerkrachten (de beroepssector met het hoogste niveau van emotionele uitputting) werden 3 vragenlijsten afgenomen, de RS-nl voor resilience, de UBOS (versie leerkrachten) om de mate van burn-out te meten, en de VBBA om de subjectief ervaren werkdruk te meten.
Resultaten
Er is een duidelijke correlatie tussen mentale veerkracht en burn-out: hoe hoger de mentale veerkracht, hoe minder kwetsbaar voor burn-out. De mate aan mentale veerkracht bleek echter geen invloed te hebben op de ervaren werkdruk; personen met een hogere mate aan mentale veerkracht vinden het werk niet minder belastend dan personen met minder veerkracht. Zij kunnen deze druk echter wel beter verwerken.
Conclusie
Het meten van de mate aan mentale veerkracht kan daarom opportuun zijn binnen beroepssectoren die bekend staan om hun hoge mentale werkbelasting, teneinde kwetsbare persoonlijkheden beter te kunnen opvolgen waar nodig.

Poster 3
www.alcoholhulp.be
Marij Verwaest,
psycholoog, Drughulp Kempen, Turnhout
De website alcoholhulp.be is een initiatief van Drughulp Kempen & CAD Limburg dat financieel gesteund wordt door de Vlaamse overheid.De website richt zich op een zo breed mogelijk publiek, maar tracht doelgroepen aan te spreken die momenteel minder goed door de klassieke hulpverlening bereikt worden (vrouwen, beroepsactieven, hoger opgeleiden, ouderen en jongeren).
Alcoholhulp.be omvat drie luiken. Het eerste luik betreft een informatiegedeelte voor iedereen met interesse in het onderwerp alcohol. Het omvat informatie over onder andere de effecten van alcohol en vormen van overmatig alcoholgebruik. Tevens is er een alcoholtest waarin men het eigen alcoholgebruik na kan gaan en een forum waarop men verhalen met betrekking tot alcohol kan uitwisselen en vragen kan stellen.
Het tweede luik is een volledig geautomatiseerd zelfhulpprogramma, gebaseerd op technieken uit de cognitieve gedragstherapie, dat als doel heeft het ondersteunen van mensen bij het onder controle krijgen van hun alcoholgebruik. Het is anoniem, gratis en 24u per dag toegankelijk.
Het derde luik is een behandelingsprogramma voor mensen die een steuntje in de rug willen bij het onder controle krijgen van het alcoholgebruik. Dit omvat het zelfhulpprogramma met motivationele gespreksvoering onder begeleiding van een professionele hulpverlener, eveneens anoniem en kosteloos. De begeleiding gebeurt via chat of mail. Het online begeleidingsgedeelte is sinds januari 2009 beschikbaar in heel Vlaanderen.
Uit de resultaten van het afgelopen jaar blijkt dat de opzet om hoger opgeleiden, personen met een beroepsactiviteit, vrouwen en ouderen inderdaad meer bereikt worden in vergelijking met klassieke hulpverlening. Jongeren worden tot op heden moeilijker bereikt.

Poster 4
Performance van personen met een verstandelijke beperking en comorbide psychiatrische aandoeningen op de Luria-Nebraska testbatterij
Jo Herbots,
bewegingstherapeut, UPC Sint-Kamillus, Bierbeek
Inleiding
We onderzochten de relatie tussen de performance op de Luria-Nebraskatestbatterij en het niveau van verstandelijke ontwikkeling. Dit bij mensen met een verstandelijke beperking en comorbide psychiatrische aandoening. Anderzijds bekijken we of er verschillen in performance zijn op basis van de psychiatrische diagnose (DSM).
Methode
De Luria-Nebraska Neuropsychological Battery is een gestandaardiseerde verwerking van de theorie van de neuropsycholoog Alexander Luria. De batterij werd onderzocht op haar validiteit en betrouwbaarheid (Golden, C.J., Hammeke, T.A. & Purisch, A.D., 1983)
Ze onderzoekt.de sensorimotorische vaardigheid, de taalontwikkeling, de schoolse vaardigheden, het korte termijn geheugen en de intellectuele processen.
Resultaten
In het onderzoek werd bij 425 personen (m/v) de Luria-Nebraskatestbatterij afgenomen. Groepen werden gevormd op basis van intelligentie en psychiatrische diagnose. Statistische analyse (Manova) toont merkelijke verschillen, naar intelligentie, en binnen eenzelfde niveaugroep naar psychiatrische problematiek.
Conclusie
In alle groepen, ongeacht het ontwikkelingsniveau of de psychiatrische diagnose, komen de beperkte cognitieve functies en de achterstand in taal, voornamelijk taalbegrip, naar voren. Dit vraagt om ondersteuning van de executieve functies. Wat Vygotsky ‘development by proximity’ noemt, of ‘behandeling door nabijheid’. Emotionele en executieve ondersteuning.
Referenties
Akhutina, T.V. (1997), The remediation of executive functions in children with cognitive disorders: the Vygotsky-Luria neuropsychological approach. Journal of Intellectual Disability Research. 41, Part 2, 144 – 151
Golden, C.J., Hammeke, T.A. & Purisch, A.D (1983). The Luria-Nebraska Neuropsychological Battery manual. Los Angeles: Western Psychological Services, Fourth Printing

Poster 5
Outreach volwassenen met verstandelijke beperking en comorbide psychiatrische en/of gedragsproblemen: beschrijving van een pilootproject en eerste resultaten
Gunther Degraeve,
psychiater, PC Dr. Guislain, Gent
Joke Andries, psychologe, PC Caritas, Melle
Patrick De Backer, verpleegkundige, PC Dr. Guislain, Gent
A. Demon, verpleegkundige, PC Caritas, Melle
Filip Morisse, coördinator 'out -reaching' De Steiger, PC Dr. Guislain, campus Sint-Alfons, Gent
Inleiding
Personen met een verstandelijke beperking hebben een verhoogde kans op een comorbide psychiatrische aandoening en/of comorbide gedragsproblemen. Een uitgebreide waaier aan hulpverlening is dan ook beschikbaar.
Corpus
Vanaf 1 oktober 2009 startte voor de provincie Oost-Vlaanderen een outreachfunctie voor volwassenen met verstandelijke beperking en comorbide psychiatrische en/of gedragsproblemen als pilootproject gesubsidieerd door de federale overheid. De werking omvat observatie, begeleiding, beeldvorming, agogisch advies en ondersteuning van de cliënt en/of de omgeving. Dat houdt in dat er een duidelijke meerwaarde moet zijn van outreaching tov andere hulpverlening. Een verwijzing naar andere ondersteuningsmogelijkheden is mogelijk. Het kader waarin gewerkt wordt gaat uit van een multidimensionele benadering vanuit de theorie van Došen, met een accent vanuit het systeemtheoretisch denkkader.
Resultaten
De eerste preliminaire resultaten van de werking van het outreachproject worden voorgesteld.
Besluit
Zeer recent startte een pilootproject waarbij een outreachfunctie voor volwassenen met een verstandelijke beperking en comorbide psychiatrische en/of gedragsproblematiek werd voorzien. Deze poster belicht de visie, werking en de eerste resultaten van dit outreachproject voor Oost-Vlaanderen.

Poster 6
Aandacht voor gezondere leefgewoontes bij mensen met een psychiatrische aandoening via Energie²
Lode Cappon, educatief medewerker, Eli Lilly, Brussel
Annie Van Cauwenberghe,
educatief medewerker, Eli Lilly, Brussel
Er is steeds meer evidentie dat een goede aanpak een impact kan hebben op het gewicht en het metabool risico van de patiënt. Met Energie² willen we de patiënten die aandacht nodig hebben voor hun fysieke gezondheid, deze ook op een gepaste manier aanbieden. Terwijl de programma’s, zoals ‘Energie’ en ‘Mijn Gezondheid’, laagdrempelige programma’s zijn om het onderwerp ‘gezondere leefgewoontes’ bespreekbaar te maken wil Energie² een stap verder zetten en maximaal inzetten op het realiseren van concrete stappen. Dit door een sterke individuele ondersteuning en opvolging naar verandering met het Energie²-materiaal als handvat.
Stap1: Meten en screenen
Alles begint met een goede screening van de patiënt.
Stap2: Evalueren
We focussen via registratie op de evaluatie van de fysieke gezondheid en de keuze van de gepaste actie.
Stap3: Activeren
Naargelang de evaluatie moet worden nagegaan in welke mate de patiënt dient te worden ondersteund. Dat kan gaan van een groepsprogramma (Energie/Mijn Gezondheid) tot specifieke individuele begeleiding (Energie²).
Niveau1: Een basisaanbod omtrent het stimuleren van gezondere leefgewoontes in groep.
Niveau2: We merken evenwel op dat de mensen die dit het meeste nodig hebben zich net minder geroepen voelen om vrijwillig bij dergelijke groep aan te sluiten. Deze mensen worden met Energie² individueel ondersteund tot het nemen van een eerste stap naar gezondere leefgewoontes.
Niveau3: Via deskundige referentiepersonen (verpleegkundigen, voedingsdeskundigen, bewegingstherapeuten,...) wordt een nog striktere opvolging aangeboden om deze stappen verder te individualiseren en te realiseren.
Niveau4: Verder farmacologische opvolging.

Poster 7
Als sporter onder sporters: mensen met een psychische beperking in beweging
Joëlle Vekemans,
sporttechnisch coördinator, Psylos, Leuven
Sanne Van den Bleeken, sporttechnisch directeur, Psylos, Leuven
Psylos is een door Bloso erkende recreatieve sportfederatie die zich richt naar personen met een psychische beperking. Psylos overkoepelt en ondersteunt sportclubs met een link naar de geestelijke gezondheidszorg. Sinds haar oprichting in 1971 heeft Psylos steeds twee beleidsdomeinen - de geestelijke gezondheidszorg en de sportsector - met elkaar in contact gebracht. Psylos streeft daarbij naar een sportaanbod voor personen met een psychische beperking waarbij een zo hoog mogelijke graad van integratie wordt nagestreefd voor elk van deze sporters.
Begin 2010 gaf Psylos een brochure uit met als titel ‘Als sporter onder sporters: mensen met een psychische beperking in beweging’. Deze uitgave wil sport en beweging voor mensen met een psychische beperking onder de aandacht brengen en reikt de hand naar alle sportactoren, vrijwilligers en organisaties om personen met een psychische beperking in beweging te brengen, letterlijk en figuurlijk. Via de minimaatschappij van de sportvereniging wordt de brug geslagen naar de samenleving. Naast een algemeen beeld over personen met een psychische beperking wordt in deze uitgave dieper ingegaan op de drempels maar vooral ook de mogelijkheden op vlak van fysieke activiteit, sociale omgang, sportparticipatie en integratie in de sportclub. Aan de hand van praktische voorbeelden en tips krijgt de lezer inzicht in drempelverlagende acties die mogelijk zijn om personen met een psychische beperking in beweging te zetten en te houden.
De brochure wordt ter beschikking gesteld van de clubs en hun lokale partners, van provinciale en gemeentelijke sportdiensten, sportfederaties en partnerorganisaties en is aan te vragen bij Psylos via www.psylos.be.

Poster 8
IRIS: De gunstige effecten van bewegen binnen een cognitief gedragstherapeutisch programma voor mensen met een eetbuistoornis
Davy Vancampfort,
psychomotorisch therapeut, UPC KULeuven, campus Kortenberg
Johan Vanderlinden, psycholoog-psychotherapeut, coördinator zorgprogramma eetstoornissen, UPC KULeuven, campus Kortenberg
An Adriaens, psychomotorisch therapeut, dienst psychomotorische therapie en kinesitherapie, UPC KULeuven, Kortenberg/Leuven
Jan Knapen, psychomotorisch therapeut, dienst psychomotorische therapie en kinesitherapie, UPC KULeuven, Kortenberg/Leuven
Guido Pieters, psychiater, psychiater, adjunct hoofdgeneesheer, UPC KULeuven, Kortenberg/Leuven
Michel Probst, psychomotorisch therapeut, hoofddocent, diensthoofd psychomotorische therapie, UPC Kuleuven, campus Kortenberg; FaBeR, KULeuven
Doelstelling
Deze pilootstudie onderzoekt de eerste kortetermijnresultaten van een cognitief gedragstherapeutisch programma met inbegrip van psychomotorische therapie voor mensen met een eetbuistoornis.
Deelnemers en setting
Twintig patiënten met een eetbuistoornis die van 1 juli 2007 tot 1 januari 2009 het zes maanden durende ambulante therapieprogramma aanvatten in het UPC-KULeuven, campus Kortenberg, werden uitgenodigd tot deelname.
Methode
Voor en na het programma werd de functionele wandelcapaciteit geëvalueerd aan de hand van de 6-minutenwandeltest (6MWT). De body mass index (BMI) werd berekend en alle patiënten beantwoordden een vragenlijst omtrent hun levenskwaliteit, (RAND-36), lichaamsattitude (BAT) en psychiatrische symptomen (SCL-90).
Resultaten
De patiënten hadden na zes maanden significant minder eetbuien per week (p<0.01), een significant lagere BMI (p<0.05) en rapporteerden significant minder psychiatrische symptomen (p<0.01). Bovendien was hun functionele wandelcapaciteit significant toegenomen (p<0.05). De patiënten rapporteerden een positievere lichaamsattitude (p<0.01). Op de RAND-36 gaf men een verbeterd fysiek functioneren (p<0.05), minder fysieke beperkingen (p<0.05), meer energie (p<0.05) en een betere algemene gezondheid (p<0.05) aan.
Conclusie
Het motiveren tot bewegen binnen een multidisciplinair therapieprogramma resulteert in een verbeterde wandelcapaciteit, kwaliteit van leven en lichaamsbeleving, en minder psychiatrische symptomen.

Poster 9
Onderweg van eetstoornis naar genezing. Laagdrempelige hulp bij eetstoornissen. Exploratief beschrijvend onderzoek naar werking, denkkader, instroom en samenwerkingsverbanden van een zelfhulpgroep voor eetstoornissen
Els Verheyen,
klinisch psycholoog, Vereniging Anorexia Nervosa Boulimia Nervosa (AN-BN vzw), Leuven
De zelfhulpvereniging Anorexia Nervosa Boulimia Nervosa (AN-BN vzw) zet zich reeds 30 jaar in voor de eetstoornisproblematiek. Sinds 2005 is het Inloophuis te Leuven een centrale ontmoetingsruimte en vanaf juli 2010 zet AN-BN ook een Inloopmobiel Eetstoornissen in om activiteiten te organiseren en te ondersteunen doorheen heel Vlaanderen.
Waar AN-BN zich in het verleden voornamelijk richtte tot de omgeving van eetstoornispatiënten, blijkt de laatste vier jaar dat ongeveer 65% van de bezoekers zelf een eetstoornis heeft. De website wordt maandelijks gemiddeld 1400-maal bezocht, wat wijst op een vraag naar informatie. Dankzij haar laagdrempelig aanbod, de ervaringsdeskundigheid, het motiverend werken en de samenwerkingsverbanden met de professionele hulpverlening draagt AN-BN bij om mensen te begeleiden in hun weg naar hulp en genezing.
Referenties
Verheyen, E., (2009). Motiverende gesprekken in het Inloophuis Eetstoornissen. Antenne, 135, 25-33
Vansteenkiste, M., Soenens, B., & Vandereycken, W., (2005), Motivation to change in eating disorder patients: A conceptual clarification on the basis of self-determination theory. International Journal of Eating Disorders, 37, 207-219

Poster 10
Resilience bij eetstoornispatiënten: een update
Michael Portzky,
psycholoog, coördinator psychodiagnostiek, PC Sint-Jan de Deo; UZ Gent K12F, Gent
Gwendolyn Portzky, onderzoekscoördinator, Eenheid voor Zelfmoordonderzoek, UGent; K12F UZ Gent
Myriam Vervaet, prof. dr., Centrum voor Eetstoornissen, Vakgroep Psychiatrie en Medische Psychologie, UGent
Kurt Audenaert, prof. dr., Vakgroep Psychiatrie en medische psychologie, UZ Gent
Achtergrond
tijdens het normeringsonderzoek van de RS-nl, de eerste genormeerde Nederlandstalige mentale veerkrachtvragenlijst, bleek dat de eetstoornispatiënten als groep significant laag scoorde op deze zelfbeoordelingsvragenlijst, dit niet enkel ten opzichte van de niet psychiatrische populatie, maar zelfs in vergelijking met andere residentieel psychiatrische groepen. Toch bleef enige voorzichtigheid geboden, gezien het nog kleine aantal patiënten die opgenomen was in deze normeringstudie.
Doel
Met dit vervolgonderzoek wensen we op aanzienlijk grotere populaties binnen deze specifieke pathologie na te gaan of de toenmalige lage groepsgemiddelden nog steeds gelden.
Methode
Bij alle nieuwe patiënten die zich aanmelden op het Centrum voor Eetstoornissen van het UZ Gent wordt de RS-nl afgenomen.
Resultaten
De toenmalige extreem lage gemiddelde waarden worden bevestigd. Ook de voor deze pathologie kenmerkende discrepantie tussen de subschalen 'Persoonlijke competentie' en 'Acceptatie van zichzelf en het leven’ wordt wederom gevonden.
Conclusie
Het vermoeden wordt steeds groter dat deze pathologie zich onder meer laat kenmerken door een extreem verlaagde mentale veerkracht, wat gezien eerdere studieresultaten en nieuwe therapeutische praktijkervaringen hun kwetsbaarheid inzake onder meer copinggedrag en hopeloosheidsgedachten kan medeverklaren, en in meerdere gevallen een voorspellende waarde bleek inzake therapeutische outcome.

Poster 11
Optimalisatie van het therapeutisch klimaat met behulp van de Ward Atmosphere Scale
Pieter Naert,
wetenschappelijk coördinator, PZ Heilig Hart, Ieper
Guy Touquet, psychiater, PZ Heilig Hart, Ieper
Fabien Corneillie, gegradueerd psychiatrisch verpleegkundige, PZ Heilig Hart, Ieper
Annelies De Cat, PZ Heilig Hart, Ieper
Achtergrond
De sector psychosezorg van het Psychiatrisch Ziekenhuis Heilig Hart te Ieper bestaat uit een opname-afdeling De Wending 3, en een vervolgafdeling De Wissel 3 met een leefeenheid voor volledig verblijf en een leefeenheid voor dagverblijf. Wij wensen in onze opname-afdeling een therapeutisch klimaat met een accent op steun en duidelijkheid van verwachtingen. Op de vervolgafdeling dient het accent meer te liggen op de realisatie van persoonlijke doelen, bouwend op de principes van psychosociale rehabilitatie. Om het therapeutische klimaat op een zo objectief mogelijke manier te capteren werd eind 2007 de WAS (Ward Atmosphere Scale) (Moos, 1996) afgenomen van patiënten en teamleden met volgende onderzoeksvragen: Welk therapeutisch klimaat heerst er op de afdelingen volgens teamleden en patiënten en zijn daar significante verschillen in vast te stellen? Welk soort klimaat wensen de patiënten en de teamleden? Is er een discrepantie tussen het reële en gewenste klimaat op de afdelingen? Is er een effect van een cluster interventies in een pre-post design?
Methode
• Afname van de versie reëel en ideaal van de Ward Atmosphere Scale van H. Moos, bij patiënten en de teamleden per afdeling.
• Evaluatie van de bekomen profielen, en analyse van items die significant verschillen tussen patiënten en teamleden enerzijds, en tussen opname- en vervolgafdeling anderzijds.
• Uitwerken van maatregelen voor verbetering van het therapeutisch klimaat op de afdelingen.
• Herafname van de Ward Atmosphere Scale 2 jaar na invoeren van het plan.
Resultaten worden gepresenteerd.

Poster 12
De rol van authenticiteit bij hulpverleners in een turbulente werkomgeving
Pieter Naert,
wetenschappelijk coördinator, PZ Heilig Hart, Ieper
Hannes Leroy, wetenschappelijk coördinator, PZ Heilig Hart, Ieper
Guy Touquet, psychiater, PZ Heilig Hart, Ieper
Bart Dierynck, PZ Heilig Hart, Ieper
In deze poster bouwen we op de zelf-determinatietheorie (Deci & Ryan, 2000) om te verduidelijken hoe 'trouw zijn aan jezelf' helpt om te gaan met een 'turbulente werkomgeving'. We argumenteren dat het authentiek functioneren van werknemers (Kernis & Goldman, 2006) en leidinggevenden (Avolio & Gardner, 2005) de werknemer zijn of haar basisbehoeftes aan autonomie, competentie en verbondenheid vervult (Ryan, 1995). Op zijn buurt zal deze bevrediging van basisbehoeftes leiden tot meer autonome motivatie en de psychologische groei en aanpassing van de werknemer.
De resultaten van een grootschalig onderzoek van verplegers en hun leidinggevenden in psychiatrische ziekenhuizen tonen aan dat het authentiek functioneren van verplegers gerelateerd is aan de bevrediging van de basisbehoeftes en dat authentiek functioneren van hoofdverpleegkundigen dit effect versterkt op het individuele niveau van analyse en groepsniveau van analyse. Tussensubject en binnensubjectvariantie in behoeftebevrediging voorspellen vervolgens bevlogenheid op het werk en de kwaliteit, adaptiviteit en pro-activiteit van werkprestaties.

Poster 13
Transpersoonlijke psychiatrie: klip of kans?
Jean-Marie Decuypere,
psychiater/psychotherapeut, privé-praktijk, Zoersel
Transpersoonlijke psychiatrie is gegroeid vanuit de transpersoonlijke psychologie, die midden jaren ’60 ontstond vanuit de humanistische psychologie met de bedoeling om op een wetenschappelijke manier onderwerpen te benaderen die traditioneel behoren tot het domein van religie en spiritualiteit.
Meer en meer groeit het besef dat de mens niet alleen op biopsychosociaal niveau functioneert maar ook een spirituele dimensie heeft. Bovendien vragen veel patiënten naar een behandeling waarbij aandacht geschonken wordt aan levensbeschouwelijke zaken.
Tijdens hun ontwikkeling komen mensen voor grote levensvragen te staan en kunnen ze in moeilijkheden geraken en psychiatrische hulp nodig hebben. Bijvoorbeeld naar aanleiding van een pijnlijk verlies van oude geloofsovertuigingen, het moeizame zoeken naar een meer eigentijdse spirituele beleving, de verwerking van ongewone spirituele ervaringen, het verstrikt raken in één of andere sekte,… Transpersoonlijke psychiatrie is dan in eerste instantie ‘gewone psychiatrie’ met alles wat daarbij komt kijken, maar die tevens wil onderzoeken hoe die verstoorde of geblokkeerde ontwikkeling beïnvloed en geheeld kan worden.
Transpersoonlijke psychiatrie is dus een stroming binnen de psychiatrie die zich inzet voor onderzoek en integratie van de spirituele dimensie in de mens. Ook in de dagdagelijkse 'gewone praktijk' kan de psychiater geconfronteerd worden met zingevingsvragen, situaties en opmerkingen van cliënten waarbij een beetje transpersoonlijke achtergrond, al is het maar een theoretisch venster, toch een meerwaarde biedt, omdat daardoor het contact met de cliënt verbetert én de therapietrouw erop vooruit gaat.

Poster 14
De ontwikkeling van een sociale kaart voor ADHD in de adolescentie en de (jong)volwassenheid
Dieter Baeyens,
doctor in de psychologische wetenschappen, Departement Toegepaste Psychologie, Lessius Hogeschool Antwerpen, Associatie Katholieke Universiteit Leuven
Lotte Van Dyck, master in de klinische psychologie, Departement Toegepaste Psychologie, Lessius Hogeschool Antwerpen, Associatie Katholieke Universiteit Leuven
Annelies Aerts, doctor in de psychologische wetenschappen, Departement Toegepaste Psychologie, Lessius Hogeschool Antwerpen, Associatie Katholieke Universiteit Leuven
Prospectief onderzoek toont aan dat 30 tot 70% van de kinderen met ADHD problemen blijven vertonen in de volwassenheid. ADHD treft de persoon ook in deze levensfase op vele domeinen en de consequenties voor de directe omgeving en de maatschappij kunnen ernstig zijn. De nood aan betrouwbare diagnostiek, behandeling en ondersteuning in deze groep is duidelijk, het huidige diagnostische, behandelings- en ondersteuningsaanbod daarentegen vaak niet voldoende specifiek en/of gekend. Voor de doelgroep van adolescenten en (jong)volwassenen met (vermoeden van) ADHD is een stoornisspecifieke sociale kaart een noodzaak.
Bestaande sociale kaarten bieden al heel wat bruikbare informatie over diensten en instellingen in de welzijns- en gezondheidssector. Het is evenwel vaak moeilijk af te leiden welke specifieke vormen van diagnostiek en begeleiding beschikbaar zijn. Met ondersteuning van de Adviesraad Wetenschappelijk Onderzoek van het sig willen we deze informatie in kaart brengen voor ADHD bij adolescenten en (jong)volwassenen. Concreet werden op basis van een kritische literatuuranalyse richtlijnen voor wetenschappelijk verantwoorde diagnostiek, behandeling en ondersteuning van ADHD na de kindertijd opgesteld. Deze richtlijnen vormen het uitgangspunt van een bevraging van het ADHD-aanbod van verschillende zorginstanties (revalidatiecentra, cggz, COS, MPI, buitengewoon onderwijs, zelfstandige psychologen/psychiaters, instellingen van bijzondere jeugdzorg, kinder- en jeugdpsychiatrie). In het najaar van 2010 wordt deze informatie online beschikbaar gesteld. In deze bijdrage willen we de status van ons initiatief bekend maken en het diagnostisch, behandelings- en ondersteuningsaanbod in Vlaanderen toetsen aan de principes van evidence based practice.

Poster 15
ADHD in de jongvolwassenheid: inventarisatie en kwalitatieve analyse van het ondersteuningsaanbod in het secundair en hoger onderwijs
Lotte Van Dyck,
master in de klinische psychologie, Departement Toegepaste Psychologie, Lessius Hogeschool Antwerpen, Associatie Katholieke Universiteit Leuven
Dieter Baeyens, doctor in de psychologische wetenschappen, Departement Toegepaste Psychologie, Lessius Hogeschool Antwerpen, Associatie Katholieke Universiteit Leuven
Evi Maes, master in de psychologische wetenschappen, Departement Toegepaste Psychologie, Lessius Hogeschool Antwerpen, Associatie Katholieke Universiteit Leuven
ADHD treft de persoon op vele levensdomeinen en de consequenties voor de directe omgeving en de maatschappij kunnen potentieel ernstig zijn. Doordat leerlingen met ADHD een hoger risico lopen op schools en academisch disfunctioneren is het van belang om na te gaan hoe deze leerlingen optimaal kunnen ondersteund worden zodat ze hun potentieel benutten. Daar waar het ondersteuningsaanbod in het lager onderwijs relatief duidelijk gekend en geformaliseerd is, lijkt het aanbod in de (jong)volwassenheid meer gebonden aan het eigen initiatief van de verschillende onderwijsinstellingen.
In deze studie stellen we ons tot doel om het ondersteuningsaanbod voor studenten met ADHD in het secundair en hoger onderwijs te inventariseren en op hun effectiviteit te toetsen. In een eerste fase werden 91 onderwijsvoorzieningen bevraagd naar de aanwezigheid van onderwijs- en examenfaciliteiten in geval van ADHD (in vergelijking met leerstoornissen) en naar welke toekenningsvoorwaarden hiervoor gesteld worden (o.a. de attestering). In een tweede fase werden deze resultaten voorgelegd aan (jong)volwassenen met ADHD en hun zorgcoördinatoren/studiebegeleiders om de effectiviteit van het ondersteuningsaanbod te onderzoeken. Specifieke suggesties voor een zorgaanbod in een onderwijscontext worden geformuleerd.

Poster 16
Veilig omgaan met suïcidale patiënten
Manu Meers,
hoofdverpleegkundige, UZ Brussel, Jette
Suzanne Huybrechts, verpleegkundige, UZ Brussel, Jette
Achtergrond
Twintig procent van de opgenomen patiënten in de psychiatrische afdeling van UZ Brussel ondernam net voor de opname een suïcidepoging.
Probleemstelling
Op welke wijze kan er een uniform en eenvoudig registratiesysteem ontwikkeld worden? Strategie
Met behulp van een registratiesysteem is de aandacht van de hulpverleners op een gestructureerde wijze gevestigd op suïcidaal gedrag.
Om het risico beter te kunnen inschatten hanteren we een S-codering:
S0: er zijn géén doodsgedachten, noch suïcidegedachten
S1: er zijn doodsgedachten
S2: er zijn doodsgedachten en suïcidegedachten: géén plannen
S3: er zijn doodsgedachten en suïcidegedachten en vage plannen of er was recent een suïcidepoging (< 1 week geleden) S4: er zijn doodsgedachten en suïcidegedachten en concrete plannen
S5: idem S4: en reeds poging tijdens de hospitalisatie
Maatregel
S0, S1: gewone verpleegkundige observatie
S2: toegenomen verpleegkundige observatie
S3: toegenomen verpleegkundige observatie
S4a: indien mogelijk wordt de patiënt(e) verhuisd en in de nabijheid van de verpleegbureau gehospitaliseerd; toezicht om de 15 minuten.
S4b: bel en telefoon worden afgenomen; indien mogelijk wordt de patiënt(e) verhuisd en in de nabijheid van de verpleegbureau gehospitaliseerd; toezicht om de 15 minuten.
S5: fixeren met Zweedse band of isolatiekamer; toezicht om de 15 minuten.
Meten van verbetering
Er waren van 1 januari 2004 tot 31 december 2008 zeven suïcidepogingen tijdens het verblijf. Een patiënte is overleden. Het aantal opnames bedroeg 2.279.
Boodschap
Met gestructureerde suïcidemeting (s-codering) is er een uniform taalgebruik bij de hulpverleners. De aandacht voor suïcidaal gedrag wordt bijgevolg verhoogd.

Poster 17
Onderzoek naar de effectiviteit van suïcidepreventie (OSPI-project)
Gert Scheerder,
senior onderzoeker, Lucas, KULeuven
Chantal Van Audenhove, onderzoekscoördinator, Lucas, KULeuven
Zelfdoding is een belangrijke prioriteit voor het beleid in Vlaanderen, en diverse interventies worden dan ook opgezet in het kader van het Actieplan suïcidepreventie. Ook in andere Europese landen is dit het geval. Tot nog toe bestaat er echter weinig wetenschappelijke evidentie dat een dergelijk beleid en interventies ook effectief in staat zijn om het aantal zelfdodingen op populatieniveau te verminderen.
Het OSPI-project (Optimized Suicide Prevention in Europe, gefinancierd door EC 7th Framework Programme), een samenwerking tussen tien Europese onderzoekscentra (o.a. LUCAS), wil deze evidentie aandragen door een gecontroleerde studie naar het effect van een multilevelinterventie in vier regio’s (in Ierland, Duitsland, Hongarije en Portugal).
Deze interventie is een geoptimaliseerde versie van de vier-sporenbenadering van EAAD (European Alliance Against Depression): deskundigheidsbevordering van hulpverleners en sleutelfiguren, publieke beeldvorming, en ondersteuning van patiënten, aangevuld met restrictie van middelen. De interventie wordt geëvalueerd op onmiddellijke effecten van deelinterventies, procesmatige en synergistische effecten, effecten op aantal suïcides, en kosten-effectiviteit. Deze studie zal aanbevelingen opleveren over ingrediënten van een effectief suïcidepreventiebeleid.

Poster 18
Leven en dood, kunst en suïcide: Jan Cox en Stanislaw Ignacy Witkiewicz (a.k.a. Witkacy)
Karolina Krysinska,
research officer, Centre for Suicide Prevention Studies in Young People, University of Queensland, Brisbane/Australia
Karl Andriessen, coördinator, suïcidepreventie CGG, Gent
Sinds de Oudheid is suïcide een vaak voorkomend thema in de Westerse kunst (Krysinska, 2009). Vraag is of er een relatie bestaat tussen eigen ervaringen met dood/suïcide van de kunstenaar en diens kunst. Zijn kunstenaars die suïcides schilderen zelf suïcidaal; heeft dit een catharsiseffect, of verhoogt het suïciderisico? Vinden we aanwijzingen van suïcidaliteit in schilderijen van kunstenaars die zichzelf doodden? Heeft het meemaken van suïcide invloed op de kunst?
We presenteren biografieën en kunstwerken van twee prominente Europese kunstenaars: de Belgische abstracte en figuratieve schilder Jan Cox (1919-1980) en de Poolse schilder, fotograaf, schrijver en filosoof Stanislaw Ignacy Witkiewicz (a.k.a. Witkacy) (1885-1939).
Hoewel vaak geassocieerd met COBRA was Cox, in tegenstelling, een zeer klassiek kunstenaar. Strevend naar de idealen van de ‘Homo Universalis’, leed hij verschillende persoonlijke en intellectuele tegenslagen, leidend tot een groeiend alcoholprobleem en existentiële crises. De dood was een centraal thema in zijn werk.
Witkacy doodde zichzelf in een zelfmoordpact met zijn minnares. Hij was een nabestaande na zelfdoding, en wellicht chronisch suïcidaal. Hij schilderde talrijke zelfportretten en andere werken die mogelijk verband houden met zijn persoonlijke ervaringen.
Referenties
Krysinska, K. (2009). Suicide and the arts: from the death of Ajax to Andy Warhol’s Marylin Monroe. In Stack, S. & Lester D. (Eds.), Suicide and the Creative Arts, 15-47. Hauppage, NY, Nova Science Publishers

Poster 19
Cursus Tien Tips voor een goede oude dag: map voor begeleiders
Hans Baert,
psycholoog, psychotherapeut, ouderenteam, Expertisecentrum dementie brOes, CGGZ Brussel
Marie-Christine Adriaensen, gerontoloog, CGGZ Brussel
Filip Bouckaert, ouderenpsychiater, psychotherapeut, ouderenteam, Expertisecentrum dementie brOes, CGGZ Brussel; UPC KULeuven, campus Kortenberg
Jeanine Ferket, communicatiemedewerker, psychotherapeut, ouderenteam, Expertisecentrum dementie brOes, CGGZ Brussel
Stefaan Plysier, psycholoog, psychotherapeut, ouderenteam, Expertisecentrum dementie brOes, CGGZ Brussel
Het ouderenteam van het Centrum Geestelijke Gezondheidszorg Brussel heeft een ruime ervaring in groepswerkingen voor 60-plussers. Deze groepswerkingen hebben als doel preventie van depressie en kaderen in een stepped-care benadering van de depressieproblematiek.
De handleiding voor begeleiders is het resultaat van een jarenlang proces waarin elke sessie van de cursus "Tien tips voor een goede oude dag" werd ontwikkeld, uitgeprobeerd, bijgewerkt, en uiteindelijk gefinaliseerd in een map.
De poster geeft een overzicht van de rationale achter het werken met deze handleiding, de werkmethode, het doel van de cursus, enz. De map kan ingekeken worden.

Poster 20
Het ganzenspel met levensthema's: instrument om in gesprek te komen met beginnend dementerenden ter preventie van depressie
Marie-Christine Adriaensen,
gerontoloog, CGGZ Brussel
Hans Baert, psycholoog, psychotherapeut, ouderenteam, Expertisecentrum dementie brOes, CGGZ Brussel
Filip Bouckaert, ouderenpsychiater, psychotherapeut, ouderenteam, Expertisecentrum dementie brOes, CGGZ Brussel; UPC KULeuven, campus Kortenberg
Jeanine Ferket, communicatiemedewerker, psychotherapeut, ouderenteam, Expertisecentrum dementie brOes, CGGZ Brussel
Het ouderenteam van het Centrum voor Geestelijke Gezondheidzorg Brussel werkt al verscheidene jaren rond preventie van depressie in woon- en zorgcentra. Personen met een beginnende dementie zijn extra kwetsbaar voor depressie. Vanuit deze ervaring ontwikkelden we het ‘Levensthema’s Ganzenbord’. We gaan in kleine groepen de beleving van de personen met beginnende dementie bespreekbaar maken en we proberen meer zicht te krijgen op belangrijke levensgebeurtenissen, levensfasen en mijlpalen uit het leven. Aan de hand van een spel kan de oudere terugblikken op zijn leven en zo nodig nog gebeurtenissen verwerken.
Dit instrument is een handig hulpmiddel voor hulpverleners van de woon- en zorgcentra om meer zicht te krijgen op de persoonlijke noden en behoeften van dementerende bewoners.
Deze bijdrage geeft uitleg over het gebruik van dit instrument, onze bevindingen en de impact op depressie, gemeten met de Cornellschaal voor en na de groepswerkingen.
Referenties
Schweitzer, P. & Bruce, E. (2008). Remembering Yesterday, Caring Today, Reminiscence in Dementia Care: A Guide to Good Practice. London, Jessica Kingsley
Dröes, R.M., (1993). Cornell Scale For Depression in Dementia. Amsterdam, Vakgroep Psychiatrie

Poster 21
Uitkomstenonderzoek: op zoek naar instrumenten om verandering na behandeling in kaart te brengen
Eva Dierckx,
verantwoordelijke wetenschappelijk onderzoek en psychodiagnostiek, Psychiatrische Kliniek Broeders Alexianen, Tienen
Nico Deblaere, Frank Stallaert, Geert Thyssen, Kristel Verheyden, Lieve Smet, stafdienstmedewerkers, Psychiatrische Kliniek Broeders Alexianen, Tienen
Jill Hermans en Marleen Koninckx, stafdienstmedewerker en directie; Psychiatrische Kliniek Broeders Alexianen, Tienen
Het meten van behandeluitkomsten duikt meer en meer op in de geestelijke gezondheidszorg, ook in psychiatrische klinieken.
Volgens Walburg (2003) kunnen de uitkomsten van behandeling ingedeeld worden in 4 kwadranten. In eerste instantie zouden we ons onderzoek in de kliniek willen toespitsen op het kwadrant betreffende de klinische uitkomsten. Klinische uitkomsten zijn kenmerken van de zorgconsument, gerelateerd aan een specifieke stoornis die veranderen in tijd ten gevolge van een zorginterventie. Concreet komt het er bij het meten van klinische uitkomsten op neer om bij patiënten aan het begin van hun behandeling een aantal tests en/of vragenlijsten af te nemen en een gedeelte daarvan periodiek te herhalen, teneinde zicht te krijgen op de effecten van de behandeling. Op die manier kunnen behandelingen geëvalueerd en, indien nodig, tijdig bijgestuurd worden.
Bij het selecteren van de gepaste meetinstrumenten, is het belangrijk rekening te houden met strikt wetenschappelijke criteria (i.e. meetinstrumenten moeten voldoende valide en betrouwbaar zijn); echter in de klinische praktijk zullen ook meer praktische aspecten (zoals ondermeer de afnameduur) in acht moeten genomen worden. Een goed evenwicht tussen evidence-based en practice-based moet nagestreefd worden.
In deze presentatie zal het ontwerp voorgesteld worden van hoe uitkomstenonderzoek in de Psychiatrische Kliniek Broeders Alexianen te Tienen plaatsvindt.
Referenties
Walburg, J. A. (2003). Uitkomstenmanagement in de gezondheidszorg. Het opbouwen van lerende teams in zorgorganisaties. Amsterdam, Reed Business

Poster 22
Aanloophuis Poco Loco - 8 jaar
Wim Haeck,
coördinator, Aanloophuis Poco Loco, Gent
Het Aanloophuis Poco Loco werd opgericht in 2002 voor mensen met een achtergrond in de geestelijke gezondheidszorg. Door een sterk buurtgerichte werking heeft het aanloophuis zich ook tot andere geïnteresseerden kunnen wenden. Deze beweging zorgt voor een gevarieerd pallet aan bezoekers. De toegang tot het aanloophuis is vrij. Men kan letterlijk aanlopen zonder dat men van zichzelf iets moet prijsgeven. Dagelijks worden er tal van activiteiten georganiseerd. Er is plaats voor ontmoeting, maar ook voor creativiteit en actief verantwoordelijkheid nemen. Het aanloophuis zorgt, op vraag van de bezoekers, voor openingsuren buiten de kantooruren.
Enkele ateliers en onderdelen van de werking zijn volledig "consumer -run". Door het engagement van de bezoekers in deze onderdelen kunnen nog meer actieve momenten georganiseerd worden. Mensen kunnen in het aanloophuis aan de slag met hun krachten en kwaliteiten (empowerment). Men verstevigt de plaats in de maatschappij, door middel van de ‘Werkgroep Ervaringsdelen’. In de maatschappij heerst een, vaak negatief, beeld over de ggz. De werkgroep wil, door het brengen van levensverhalen, dit beeld verruimen. Men wil mensen meer informatie geven en een aanzet tot nadenken bieden.
Het aanloophuis bereikt dagelijks gemiddeld 23 personen. Op jaarbasis komen er 200 verschillende mensen langs tijdens de openingsmomenten. Poco Loco bestaat uit een samenwerking van 8 verschillende partners in de ggz. Als lid van het Gents Activeringsplatform (GAP) richt aanloophuis Poco Loco zich op samenwerking.

Poster 23
5 jaar follow-up resultaten van de Kortenberg-Leuven Proces-outcome studie naar de psychodynamische behandeling van patiënten met een persoonlijkheidsstoornis
Rudy Vermote,
psychiater-psychoanalyticus, diensthoofd afdeling Klinische Psychotherapie voor Persoonlijkheidsmoeilijkheden (KLIPP), UPC KULeuven, campus Kortenberg
Yannic Verhaest, KLIPP, UPC KULeuven, campus Kortenberg
Benedicte Lowyck, KLIPP, UPC KULeuven, campus Kortenberg
Patrick Luyten, KLIPP, UPC KULeuven, campus Kortenberg
Bart Vandeneede, psycholoog, UPC KULeuven, campus Kortenberg
Joseph Peuskens, professor, hoofdgeneesheer, UPC KULeuven, campus Kortenberg
Eerder multi-methode, longitudinaal onderzoek bij 44 patiënten met een persoonlijkheidsstoornis die de volledige psychodynamische behandeling hadden doorlopen, heeft aangetoond dat: a) er verbetering is in outcome, i.e., symptomen en persoonlijkheidsfunctioneren, b) er verandering is in de procesvariabelen die de therapie beoogt, i.e., toename van differentiatie en stabiliteit van zelf- en objectrelaties en innerlijk gevoel van veiligheid, maar niet van reflectief functioneren, en c) procesvariabelen verbetering in outcome voorspellen (zie Vermote e.a., 2009, 2010 voor overzicht). In deze poster bespreken we de resultaten van 5-jaar follow-up van deze studie.
Subjecten
35 personen (27V; 8M) met gemiddelde leeftijd van 32 jaar namen deel. Response rate= 80% (35/44)
Methode
Self-report vragenlijsten naar verschillende maten van symptomen, persoonlijkheidsfunctioneren, en algemeen functioneren werden afgenomen en dit op vier meetmomenten: intake, ontslag, 1 en 5 jaar follow-up. ANOVA en post-hoc contrast analyses zijn gebruikt om data te analyseren.
Resultaten
Resultaten tonen aan dat: a) de verbetering in symptomen en algemeen functioneren tussen intake en ontslag behouden blijft tijdens follow-up, en b) dat persoonlijkheidsfunctioneren blijft verbeteren, ook tijdens follow-up periode.
Discussie
De resultaten, klinische implicaties en beperkingen van het onderzoeksdesign worden besproken.
Referenties
Vermote, R., Fonagy, P., Vertommen, H., Verhaest, Y., Stroobants, R., Vandeneede, B., Corveleyn, J., Lowyck, B., Luyten, P., & Peuskens, J. (2009). Outcome and outcome trajectories of personality disordered patients during and after a psychoanalytic hospitalisation-based treatment. Journal of Personality Disorders, 23, 293-306
Vermote, R., Lowyck, B., Luyten, P., Vertommen, H., Corveleyn, J., Verhaest, Y., Stroobants, R., Vandeneede, B., Vansteenlandt, K. & Peuskens, J. (2010). Process and outcome in Psychodynamic Hospitalization-Based Treatment for patients with a Personality Disorder. Journal of Nervous and Mental Disease, 198