14 en 15 september 2010
Gent
Geestelijke gezondheid: kiezen en delen

mededelingen


De mededelingen welke doorgingen tijdens het vijfde ggzcongres op 14 en 15 september 2010 te Gent en het thema: 'Geestelijke gezondheid: kiezen en delen' droeg kan u hieronder terugvinden.


Mededelingen 1
dinsdag 14 september 2010 11u30 - 13u00
Competentie-ontwikkeling

Moderator: Hans van den Ameele

M01.1 Generieke competenties en innovatieve training voor eerstelijns professionals in de sociale sector
Evelien Demaerschalk,
wetenschappelijk medewerker, Lucas, KULeuven
Koen Hermans, wetenschappelijk medewerker, Lucas, KULeuven
Iris De Coster, wetenschappelijk medewerker, Lucas, KULeuven; Katholieke Hogeschool, Leuven
Chantal Van Audenhove, onderzoekscoördinator, Lucas, KULeuven
De snelle en drastische evoluties in de sociale zorgsector doen nieuwe kwetsbare groepen ontstaan en bieden uitdagingen voor het beleid van (sociale) zorgorganisaties. In deze studie wil LUCAS, in opdracht van Cedefop (European Centre for the Development of Vocational Education) en in samenwerking met EASPD en een Europees netwerk van partners, een antwoord geven op drie vragen die deze evoluties oproepen: welke bewegingen zien we in de sociale zorgsector? Welke nieuwe competenties vraagt dit van professionals? En hoe kan opleiding en training krachtige impulsen geven ter versterking van de sector? Hierbij ligt de focus op generieke competenties voor eerstelijns professionals die werken met kwetsbare personen met multipele en complexe noden.
Het beantwoorden van de centrale vragen gebeurt door middel van een literatuurstudie aangevuld met focusgroepen in vijf Europese landen. De generieke competenties die naar voor komen zijn: empowerment faciliteren, verbindingspersoon zijn, omgaan met culturele diversiteit, werken in een transdisciplinair team, kennis opnemen en verspreiden, en een innovatief leider zijn. Het onderzoek leidt tot een overzicht van vernieuwende kenmerken en kwaliteitscriteria van trainingen in de zorgsector.
De vermaatschappelijking van de geestelijke gezondheidszorg brengt met zich mee dat heel wat personen met complexe en multipele problemen uit de boot vallen. Denken we bijvoorbeeld aan personen met een mentale handicap én een verslavingsproblematiek, of personen met schizofrenie die thuisloos zijn. De studie identificeert de cruciale competenties van veldwerkers en managers die nodig zijn om effectiever op de maatschappelijke veranderingen in te spelen. Het gaat om competenties die een aanvulling bieden op de huidige opleidingen in de geestelijke gezondheidszorg (naast de welzijns- en gezondheidszorg).
De studie werd beëindigd in december 2009.

M01.2 Effect van vorming over depressie en suïcidepreventie op de attitude, kennis en vaardigheden van ziekenhuisverpleegkundigen
Carolien Schalenbourg,
wetenschappelijk medewerker, Lucas, KULeuven; Katholieke Hogeschool, Leuven
Iris De Coster, wetenschappelijk medewerker, Lucas, KULeuven; Katholieke Hogeschool, Leuven
Gert Scheerder, senior onderzoeker, Lucas, KULeuven
Chantal Van Audenhove, onderzoekscoördinator, Lucas, KULeuven
Dit projectmatig wetenschappelijk onderzoek is een samenwerking tussen de Katholieke Hogeschool Limburg, LUCAS (wetenschappelijke partner), Jessa Ziekenhuis en Ziekenhuis Oost-Limburg. De focus ligt op deskundigheidsbevordering van ziekenhuisverpleegkundigen inzake depressie en suïcidepreventie.
Patiënten in het algemeen ziekenhuis vormen een kwetsbare groep voor het ontwikkelen van een depressie. Uit onderzoek blijkt dat ongeveer 11% van alle medische patiënten een depressie ontwikkeld en slechts 50% van deze depressieve patiënten wordt herkend door professionele hulpverleners. Verpleegkundigen kunnen een belangrijke rol spelen op vlak van herkennen van depressie en doorverwijzen of omgaan met deze patiënten. Uit onderzoek blijkt dat verpleegkundigen zich onvoldoende getraind voelen en tekort schieten aan inzicht in de behandeling van depressie en suïcide.
Op basis van relevante wetenschappelijke literatuur, een basislijnmeting bij 116 verpleegkundigen en 3 focusgroepen werd een vorming ontwikkeld. De vorming bestaat uit 3 modules, namelijk visie op depressie, omgaan met depressie en suïcidaliteit en samenwerkingsverbanden.
In deze bijdrage lichten we de voor- en nameting van de vorming toe.

M01.3 Het effect van deskundigheidsbevordering op vaardigheden in het omgaan met suïcidaliteit
Gert Scheerder,
senior onderzoeker, Lucas, KULeuven
Alexandre Reynders, wetenschappelijk medewerker, Lucas, KULeuven
Grieke Forceville, directrice, Centrum ter Preventie van Zelfdoding, Jette
Karl Andriessen, coördinator, suïcidepreventiewerking van de CGG, Gent
Het belang van vaardigheden van professionelen in het omgaan met suïcidaliteit wordt alom erkend als een belangrijk element in suïcidepreventie. In het kader van het Vlaams Actieplan Suïcidepreventie wordt daarom heel wat deskundigheidsbevordering geboden aan diverse groepen van hulpverleners en sleutelfiguren in de samenleving. LUCAS valideerde een Nederlandstalige versie (VROS) van de SIRI-2 (Suicide Intervention Response Inventory), een instrument om het niveau van deze vaardigheden na te gaan, en onderzocht het effect erop van deskundigheidsbevordering (studie in het kader van de European Alliance Against Depression (EAAD)). De VROS werd daartoe afgenomen bij circa 500 hulpverleners en sleutelfiguren voor en na trainingen door het Cenrum voor Preventie van Zelfmoord, de Suïcidepreventiewerking van de cgg, en LUCAS in de periode 2006-2010.
We bespreken het effect van training bij de diverse groepen (jeugdhulpverleners, ziekenhuispersoneel, hulpverleners in de thuis- en ouderenzorg, personeel van politie, justitie en overheidsbedrijven, vrijwilligers van de Zelfmoordlijn en andere hulplijnen, en hulpverleners van de cgg), het belang van niveau bij aanvang, het plafondeffect, de duur van de training en andere factoren.

Mededelingen 2
dinsdag 14 september 2010 11u30 - 13u00
Multiculturaliteit

Moderator: Paul Derkinderen

M02.1 Psychose, migratie en etniciteit: de klinische ervaring in een centrum voor geestelijke gezondheidszorg
Anne Clara,
psychiater, CGG Andante, Antwerpen
Onderzoek heeft aangetoond dat migratie een risicofactor is voor het ontstaan van psychosen. In Europa werden, meer bepaald in Nederland en Engeland, hoge prevalentiecijfers vastgesteld voor psychosen bij migranten, vooral bij subgroepen van bepaalde etnische herkomst. In België is dit bij mijn weten niet onderzocht in een klinische setting, op één studie op de spoeddienst van een Brussels ziekenhuis na.
In deze mededeling getuigen we over eigen ervaring in een centrum voor geestelijke gezondheidszorg met een deelwerking voor allochtonen en vluchtelingen.
In cgg Andante Berchem raadplegen relatief veel meer allochtone dan autochtone patiënten bij de psychiater omwille van een psychotische stoornis. Het gaat dan om schizofrene en bipolaire stoornissen, maar ook om psychotische depressies, postpartum psychosen en andere psychotische stoornissen. Het overgrote aandeel van psychotische stoornissen bij de consulterende migranten, vooral van Marokkaanse origine, lijkt het verband tussen psychose, migratie en etniciteit te bevestigen.
De behandeling van psychotische allochtone patiënten verschilt in principe niet van die van autochtone patiënten, maar is dikwijls complexer omwille van taal- en cultuurbarrières en specifieke gezondheidsproblemen. De hogere prevalentie van diabetes in deze populatie bijvoorbeeld kan de medicamenteuze behandeling bemoeilijken.
Referenties
Ingleby, D. (2008). Nieuwe visies op migratie, etniciteit en schizofrenie. Cultuur, Migratie, Gezondheid, 5(1), 10-23
Selten, J.P., Veen, N., Feller, W., et. al. (2001). Incidence of psychotic disorders in immigrant groups to the Netherlands. British Journal of Psychiatry, 178, 367-373

M02.2 Migranten in tijd en ruimte
Stefaan Plysier,
psycholoog/psychotherapeut, ouderenteam, expertisecentrum dementie BROES, CGGZ Brussel
Het algemene westerse narratief of ‘master narrative’ van ouderen die steeds afhankelijker worden, blijkt veel minder steek te houden bij allochtone ouderen. Het is een narratief dat weinig ruimte laat voor de ontwikkeling van een alternatief verhaal van ouder worden.
Het project ‘Migranten in tijd en ruimte’ van het Steunpunt voor Cultuursensitieve Zorg brengt aan de hand van narratieven van allochtone ouderen die in Brussel wonen een overzicht van mogelijke alternatieven die door allochtone ouderen zelf aangereikt worden. Tijdens de mededeling wordt ook ingegaan op de mogelijke impact van deze narratieven op de huidige hulpverlening aan ouderen.
Referenties
Plysier, S, Valcke, L. & Ben Driss, R. (2010). Migranten in tijd en ruimte. Antwerpen, Garant

M02.3 Vernieuwde psychiatrische paradigma’s o.i.v. de transculturele kliniek
Jan Snacken,
psychiater, UMC Sint-Pieter, Brussel
De DSM IV vermeldt 25 “cultureel gedetermineerde syndromen”, waaronder “amok” en “lateh”. Deze syndromen komen a priori enkel voor in welbepaalde culturen, zelfs wanneer we moeten vaststellen dat in onze westerse culturen ogenschijnlijk meer en meer voorvallen plaatsvinden waarbij, net zoals bij “amok”, jonge mannen aan het moorden slaan tot wanneer zijzelf gedood worden (of zelfmoord plegen). Ook de logica van “zelfmoordterroristen” vertoont hiermee gelijkenissen.
De eerste vraag die wij ons stellen is in welke mate we, wat wij over de relatie tussen deze “vreemde” syndromen en de cultuur van oorsprong kennen, kunnen extrapoleren naar de moordenaars van bv. Columbine.
Véél frequenter ontmoeten wij allochtone patiënten met symptomen of klachten die duidelijk “gekleurd” zijn door de cultuur van oorsprong. Ik had het hierover in mijn lezing op het ggzcongres van 2004.
De volgende fundamentele vraag betreft de grootste groep patiënten, namelijk de autochtonen. In welke mate wordt hun symptomatologie mede bepaald door onze westerse cultuur. Met andere woorden, in welke mate is bv. schizofrenie bepaald door onze cultuur? Indien dat het geval is, dan is elke betrachting de patiënt te “normaliseren” naar onze culturele standaarden zowel iatrogeen als chronifiërend! Willen wij deze patiënten helpen genezen, dan moeten wij bijgevolg afstappen van gangbare “bio-psycho-sociale” modellen om ook bij onze autochtone patiënten te werken met “psycho-culturele” modellen. Het moeilijkste hierin voor de “verzorgende” is afstand te kunnen nemen van zijn eigen cultuur, wetende dat, zoals G. Devereux het stelde, cultuur is voor de mens wat het water is voor de vis.

Mededelingen 3
dinsdag 14 september 2010 11u30 - 13u00
Suïcidepreventie

Moderator: Franci Abrahams

M03.1 Op zoek naar verklaringen voor het hoge suïcidecijfer in Vlaanderen: een vergelijking tussen vier landen
Alexandre Reynders,
wetenschappelijk medewerker, Lucas, KULeuven
Cees van Heeringen, prof. dr., diensthoofd psychiatrie, Eenheid voor Zelfmoordonderzoek, UGent
Chantal Van Audenhove, onderzoekscoördinator, Lucas, KULeuven
De suïcidecijfers in Vlaanderen zijn hoger dan in de meeste andere West-Europese landen. Het Steunpunt Welzijn, Volksgezondheid en Gezin (SWVG) kreeg de opdracht om een onderzoek te verrichten naar verklaringen hiervoor. De onderzoekers vergeleken Vlaanderen met Nederland, Frankrijk en Duitsland voor wat betreft de incidentie van suïcide, de betrouwbaarheid van de suïcidecijfers, de prevalentie van psychiatrische stoornissen, hulpzoekend gedrag en de kwaliteit van de hulpverlening, de prevalentie van suïcidepogingen en -gedachten, attitudes ten aanzien van zelfdoding en de voorkeur van suïcidemethodes en de mate van sociale integratie, sociaal kapitaal en welbevinden. Uit deze studie blijken verschillen tussen de landen op het vlak van de betrouwbaarheid van de suïcidecijfers en de kwaliteit van de hulpverlening zeker een bijdrage te leveren tot de verklaring van de positie van Vlaanderen binnen een Europese context. De onderzoeksresultaten leiden tot een aantal beleidsadviezen o.a. met betrekking tot de toegang tot gespecialiseerde ggz en de reductie van stigma.

M03.2 Risico- en beschermende factoren voor suïcide in Vlaanderen. Een bevolkingsonderzoek
Alexandre Reynders,
wetenschappelijk medewerker, Lucas, KULeuven
Gert Scheerder, senior onderzoeker, Lucas, KULeuven
Chantal Van Audenhove, onderzoekscoördinator, Lucas, KULeuven
Het suïcidecijfer in Vlaanderen is opmerkelijk hoger dan het Europees gemiddelde. Om een beter inzicht te krijgen in de determinanten van suïcide in Vlaanderen verrichtte Lucas (KULeuven) een bevolkingsonderzoek. Dit onderzoek verliep in samenwerking met het Centrum ter Preventie van Zelfdoding vzw en met de steun van Vlaamse Gemeenschap, Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.
Het onderzoek peilt naar de aanwezigheid van risicofactoren (vroegere suïcidale gedachten en gedrag, ervaring met suïcidaliteit in de omgeving, onwelbevinden, etc.) en beschermende factoren (kennis van het zorgaanbod in Vlaanderen, eerder hulpzoekend gedrag voor psychologische en emotionele problemen, patiënttevredenheid, etc.) in Vlaanderen.
Meer dan 4.500 Vlamingen tussen 18 en 65 jaar ontvingen een gestructureerde vragenlijst. We presenteren de belangrijkste resultaten en bespreken de relevantie van de bevindingen voor het Vlaamse suïcidepreventiebeleid.
M03.3 De Suïcidepreventiewerking van de centra voor geestelijke gezondheidszorg: doelen en realisaties
Karl Andriessen,
coördinator, suïcidepreventiewerking van de CGG, Gent
De suïcidepreventiewerking van de centra voor geestelijke gezondheidszorg (cgg) ging eind 1997 van start en stelt zich als missie: het op professionele wijze ontwikkelen en realiseren van de suïcidepreventie in de cgg en andere maatschappelijk relevante actoren; en het verankeren van de suïcidepreventie binnen het beleid en de praktijk van cgg vanuit een langetermijnvisie. De equipe bestaat uit 8,5 vte Suïcidepreventiewerkers (15 personen verdeeld over de cgg), een halftijdse coördinator en 0,3 secretariaat.
De mededeling geeft een overzicht van de belangrijkste realisaties in de volgende gebieden:
1. Het optimaliseren van de hulpverlening van de cgg; het opvangen van nabestaanden; het opvangen van suïcidepogers in zorgnetwerken
2. Het bevorderen va de deskundigheid van intermediairs en netwerken: vorming en bijscholing intermediairs; e-learning; suïcidepreventie en geestelijk gezondheidsbeleid op school
3. Het afstemmen met andere actoren/opdrachthouders.
Vervolgens toont de presentatie de inbedding van deze werking in het Vlaams actieplan suïcidepreventie.

M03.4 Locoregionale projecten: samenbundelen van krachten inzake preventie. Voorstelling van de verschillende locoregionale uitwerkingen van het Vlaams actieplan suïcidepreventie
Vicky Van Dooren,
coördinator overleg suïcidepreventie provincie Antwerpen (OSPA); CGG De Pont, Mechelen
In het kader van de uitwerking van de zesde gezondheidsdoelstelling - "De sterfte door zelfdoding bij mannen en vrouwen moet tegen 2010 verminderd zijn met 8% ten opzichte van 2000, met als subdoelstellingen daling van het aantal suïcidepogingen, daling van de suïcidale ideatie en daling van het aantal depressies" -werden er in Vlaanderen per provincie samenwerkingsverbanden gesloten tussen de suïcidepreventiewerkers van de centra voor geestelijke gezondheidszorg (cgg), het lokaal gezondheidsoverleggen (Logo) en de overlegplatforms geestelijke gezondheidszorg. Deze hadden een aantal specifieke opdrachten gekregen: het samenstellen van een stuurgroep/locoregionale werkgroep suïcidepreventie, waarin minstens de locoregionale partners vertegenwoordigd zijn; informatieverstrekking, inventarisatie van zwakke plekken in de strategie: het uitlokken van suïcide vermijden en het nemen van de nodige acties; inventariseren van activiteiten in de regio die het actieplan ondersteunen; een gedeelde verantwoordelijkheid opnemen voor de realisatie van het Vlaams actieplan suïcidepreventie op locoregionaal niveau; de Vlaamse overheid adviseren en op vraag participeren aan de Vlaamse werkgroep suïcidepreventie; meewerken aan de voorbereiding en de uitvoering van de publiekscampagne; werken aan een geestelijk gezondheidsbeleid in de scholen van de regio; netwerking en promotie met betrekking tot de website ‘fit in je hoofd’ en zelfeducatie; netwerking en ondersteuning van de implementatie van het project opvang suïcidepogers op spoedgevallendiensten van de ziekenhuizen in de regio; deskundigheidsbevordering en netwerking van professionelen, bij voorkeur van professioneel heterogene groepen.
In deze mededeling willen we kritisch een bondige stand van zaken geven over de verschillende provincies heen.

Mededelingen 4
dinsdag 14 september 2010 14u00 - 15u30
Rehabilitatie

Moderator: Kris Goethals

M04.1 Woontraining noodzakelijke schakel in woonrehabilitatie
Linda Hoho,
therapiecoördinator, PC Ziekeren, Sint-Truiden
De zorgeenheid Andries van het PC Ziekeren behoort tot het cluster psychose en voorziet een gedifferentieerd aanbod van (woon)rehabilitatie gaande van voorbereiding op zelfstandig wonen tot opvang in een beschutte woonomgeving, voor patiënten met een psychotische stoornis. Ondanks de inzet om het ontslag goed voor te bereiden verloopt dit niet steeds probleemloos. Zo stellen we vast dat enkele patiënten die ontslagen worden naar beschut wonen terugkeren omwille van ‘gebrek aan vaardigheden, medicatieverwaarlozing, gestoord dag - nachtritme, eenzaamheid, ...’.
Een zorgmodule tussen rehabilitatie en beschutte woonvorm werd als een noodzaak ervaren. Het multidisciplinaire team van Andries werkte het concept woontraining uit met accenten op kleinschaligheid, begeleiding op maat, voldoende omkadering en dit om de overgang naadlozer te laten verlopen.
We kiezen voor een homogene groep (patiënten met een psychotische stoornis) zodat de begeleiding kan worden afgestemd op de specifieke eigenheid van deze psychiatrische problematiek o.a. een algemeen verminderd functioneren, cognitieve deficits, stressgevoeligheid, nood aan sociale afstand en het nog aanwezig zijn van psychotische symptomen.
Er werd een zorgpad ontwikkeld met observatieschema’s, checklist van functioneren met bijhorende trainingsfiche. Naast observeren gaat men vooral vaardigheden trainen in de dagelijkse woonomgeving (een huis buiten de campus). Men hanteert therapeutische principes van modeling, herhaling, werken met cognitieve schema’s, visualiseren desensitisatie, probleemoplossende vaardigheden stimuleren, ... Vanuit deze ervaringen kunnen de woontrainers een begeleidingsfiche opmaken voor de begeleiders van beschut wonen zodat de overgang gerichter kan verlopen.
Ondertussen heeft het team van Andries al drie jaar ervaring en willen ze hun werkwijze graag toelichten.

M04.2 Herstelgerichte psychiatrische zorg op het vlak van sociale relaties
Emiel Nelissen,
psycholoog, PC Broeders Alexianen, Boechout
Goede psychiatrische zorg aan langdurig zorgafhankelijke personen dient in essentie herstelgericht en herstelondersteunend te zijn. Om een betere zorgafstemming te krijgen is het onderzoek van herstelprocessen uiteraard een belangrijke stap. De steun die uitgaat van vrienden wordt in diverse herstelverhalen regelmatig vernoemd als helpende factor. Ook het onderzoeksdomein rond sociale steun wordt in deze presentatie kort aangeraakt. Vele langdurige psychiatrische patiënten ervaren net op dit vlak een bijzonder tekort: hun sociaal netwerk blijkt vaak verarmd te zijn, en een aantal van hen kampt met eenzaamheid of sociale isolatie.

M04.3 Integratie van de psychosociale rehabilitatievisie als impuls tot attitudeverandering binnen de thuiszorg
Rita Wiame,
domeincoördinator ggz, Wit-Gele Kruis Limburg; Speerpunt ggz KHLim Quadri, Hasselt/Genk
Kaat Ghyselen, verantwoordelijke, Speerpunt ggz KHLim Quadri, Hasselt
Het aantal mensen met psychische problemen neemt toe, ook in de thuisgezondheidszorg. Thuisverpleegkundigen ervaren dagelijks de praktische problemen die de verzorging van psychiatrische patiënten in hun thuisomgeving met zich meebrengt. Door hun laagdrempelige contacten blijken deze thuisverpleegkundigen in een overleg regelmatig als vertrouwensfiguur te functioneren. Ook mantelzorgers doen geregeld beroep op de thuisverpleegkundigen. Een duidelijke ondersteuning van deze thuisverpleegkundigen lijkt dan ook noodzakelijk. Een goede samenwerking, overleg en duidelijke afspraken met de patiënt zelf, zijn omgeving en andere zorgverleners is fundamenteel om de zorg optimaal te laten verlopen. Het realiseren van een actueel zorgconcept dat zowel door verpleegkundigen als door patiënten als positief wordt ervaren, is een grote uitdaging.
Om deze uitdaging op een kundige manier aan te pakken, is gestart met de integratie van de psychosociale rehabilitatievisie in de dagelijkse zorgverlening. Referentieverpleegkundigen psychiatrie worden via een vorming gericht op vaardigheidstraining en attitudeontwikkeling klaargestoomd om hun taak op te nemen in elke afdeling. Daarnaast worden ook de wijkverpleegkundigen van deze visie en aanpak doordrongen, ondermeer door vormingen.
Het doel is de routine te doorbreken en een attitudeverandering te realiseren. Verpleegkundigen zijn er van overtuigd dat patiënten in de zorg centraal staan. Verpleegkundigen die echter groeien door te sleutelen aan presentie en empowerment bij de patiënt, kunnen tot een hoger zorgniveau komen.
Om alle verpleegkundigen en zorgkundigen mee te kunnen nemen in dit traject, is de expertise van het speerpunt ggz van KHLim Quadri ingehuurd.

M04.4 Buddyproject Vlaanderen
Like Van Damme,
projectcoördinator, CGG Eclips, Gent
Eric Herman, kwaliteitscoördinator, CGG Eclips, Gent
Situering
Eind 2007 gaf Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin de opdracht aan centrum voor geestelijke gezondheidszorg Eclips voor de implementatie van het buddyproject Metawonen (met reeds 15 jaar ervaring) in Vlaanderen. Hierin kregen de centra voor geestelijke gezondheidszorg een centrale rol. Tien regionale buddyprojecten, verspreid over de Vlaamse provincies en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, maken heden deel uit van het overkoepelde Buddyproject Vlaanderen. Met de buddyprojecten willen we mensen met een psychische kwetsbaarheid uit hun sociaal isolement halen, destigmatiseren en hun integratiekansen verhogen. De formule is op zich vrij eenvoudig: één vrijwilliger (‘buddy’) wordt gekoppeld aan één persoon met psychische moeilijkheden. Ze ontmoeten elkaar voor een babbel, gaan wandelen, eens fietsen of naar de film etc. De buddy staat symbool voor de wereld buiten de hulpverlening.
Methodiek
Op www.buddyproject.be is een filmpje te zien over de werking van buddyprojecten. Buddyproject Vlaanderen en de regionale buddywerkingen geloven in het belang van samenwerking. Deze vindt plaats met initiatieven beschut wonen, psychiatrische zorg thuis, mutualiteiten, cantra algemeen welzijn, etc. Daarnaast werd een ad hoc werkgroep beleidsplan opgericht met diverse organisaties binnen en buiten de ggz, in functie van het uittekenen van een vernieuwd toekomstplan voor buddywerk in de ggz.
Omkadering
Minstens jaarlijks komt de Vlaamse stuurgroep bijeen met als doel het project te doen slagen op Vlaams niveau. Ter ondersteuning van de regionale projectmedewerkers komt tweemaandelijks een projectgroepvergadering bijeen. Buddyproject Vlaanderen wordt ondersteund door de koepels FDGG en Zorgnet Vlaanderen.

Mededelingen 5
dinsdag 14 september 2010 14u00 - 15u30
Diverse thema's

Moderator: Leo Ruelens

M05.1 Psychotherapie in de gevangenis: een veilige relatie in een beveiligde context
Ruben van den Ameele,
klinisch psycholoog, CGG Eclips, Gent
Hans van Laake, klinisch psycholoog, CGG Eclips, Gent
Magda Walravens, klinisch psycholoog, CGG Eclips, Gent
In het kader van het Vlaams strategisch plan hulp- en dienstverlening aan gedetineerden voorziet het centrum geestelijke gezondheidszorg (cgg) Eclips Regio Groot-Gent sinds begin 2009 een psychotherapeutisch hulpverleningsaanbod aan gedetineerden die verblijven in één van de drie gevangenissen van Oost-Vlaanderen.
De aanname dat psychotherapie nooit in een sociaal vacuüm gebeurt krijgt een heel eigen invulling binnen de gevangeniscontext. Deze context dwingt je tot nadenken over de uitbouw van een veilige psychotherapeutische relatie binnen een sterk beveiligde context.
De doelstellingen van enerzijds de detentie van mensen en anderzijds het verstrekken van psychotherapeutische zorg aan deze mensen (respectievelijk veiligheid en controle versus individuele keuzevrijheid) zijn vaak tegenstrijdig. Deze tegenstrijdigheid komt naar de voorgrond in zowel de samenwerking met de gevangeniscontext als tijdens individuele psychotherapeutische gesprekken. De uitbouw van constructieve werkrelaties die een evenwichtig streven naar deze verschillende doelstellingen mogelijk maken, vergt een bepaalde ‘modus vivendi’ van de therapeut, zowel naar de gedetineerde cliënt en zijn problematiek toe, als in relatie tot de bredere gevangeniscontext.
In deze bijdrage wordt enerzijds ingegaan op de keuzes die binnen cgg Eclips werden gemaakt om deze werking binnen de gevangenismuren vorm te geven en anderzijds op de specifieke situatie van de gevangenis als psychotherapeutische setting.

M05.2 Parentificatie in gezinnen: een kwalitatief onderzoek naar de beleving van kinderen
Hanna Van Parys,
licentiaat psychologie, doctoraatsstudent, KULeuven
Parentificatie is een vaak voorkomend gezinsproces in gezinnen waar een van de ouders werd opgenomen met een depressie (Champion, et. al., 2009). Het kind zal dan enerzijds sensitief zijn voor de kwetsbaarheden en noden van de ouder en anderzijds zal het ook actief proberen tegemoet te komen aan die noden. De beleving van parentificatie is echter vaak niet bespreekbaar binnen het gezin.
Deze studie vertrekt van zes focusgroepen bij jongvolwassenen tussen 18 en 25 jaar die als kind zijn opgegroeid in een gezin waar een van de ouders een of meerdere keren was opgenomen met een depressie. De focus ligt daarbij op hun beleving als kind en hun ervaring met de bespreekbaarheid van parentificatie en ruimer de depressie in hun gezin van oorsprong. De resultaten van een interpretatieve fenomenologische analyse van deze kwalitatieve data worden voorgesteld.
Referenties
Champion, J. E., Jaser, S. S., Reeslund, K. L., Simmons, L., Potts, J. E., Shears, A. R. & Compas, B.E. (2009). Caretaking behaviors by adolescent children of mothers with and without a history of depression. Journal of Family Psychology, 23, 156-166

M05.3 Hippotherapie in het psychiatrisch centrum voor volwassenen
Johan Flamez,
psychomotorisch therapeut, UPC Sint-Kamillus, Bierbeek
Carole Coenen, psychomotorisch therapeut, OPZC Daelwezeth, Rekem
Elke activiteit met een therapeutisch doel waar het paard als partner wordt ingeschakeld noemen we ‘hippotherapie’ of ‘therapie met het paard’. Dit kan als autonoom therapeutisch of als ondersteunend zorgaanbod georganiseerd worden. Het doel is steeds het beïnvloeden van fysieke, psychomotorische, sociale en psychologische eigenschappen.
Hippotherapie omvat een ruime waaier aan activiteiten, die vanuit een holistische visie wisselend kunnen focussen op verschillende doelstellingen, zoals het stimuleren van de lichaamsbewustwording via zintuiglijke ervaring, de emotionele betrokkenheid, de autonomie en de communicatie. Deze doelstellingen krijgen vorm in het zorgen voor, de controle over en het samenspel met het paard.
Hippotherapie biedt een uniek forum voor concrete samenwerking tussen verschillende disciplines (ergotherapie, kinesitherapie, psychomotorische therapie, psychotherapie e.a.), die elk vanuit de eigen invalshoek eenzelfde patiënt kunnen benaderen binnen eenzelfde activiteit.
Het geïntegreerde manegeproject in OPZC Rekem wordt voorgesteld als voorbeeld uit de praktijk van een psychiatrisch centrum voor volwassen patiënten.
Referenties
de Lubersac, R. (2000). Thérapie avec le cheval. Vincennes, Fentac

M05.4 Visie omgaan met middelen
Jolien Martens,
OPZC Daelwezeth, Rekem
Wendy Smets, psychiatrisch verpleegkundige, OPZC Daelwezeth, Rekem
Edith Meers, psychologe, OPZC Daelwezeth, Rekem
Elly Stroobants, psychologe, OPZC Daelwezeth, Rekem
Katrien Vanhees, criminologe, OPZC Daelwezeth, Rekem
Het Forensische cluster binnen het Openbaar Psychiatrisch ZorgCentrum Rekem is een observatie-, crisis- en behandelafdeling voor geïnterneerden vrij op proef. We stellen vast dat meer dan 75% van de forensische populatie een verslavingsproblematiek heeft in combinatie met een andere pathologie (psychose, persoonlijkheidsstoornissen). Omwille van het ontbreken van een duidelijke, rechtlijnige visie en het ontbreken van een behandelaanbod hebben we een werkgroep opgericht om een visie over middelen (alcohol,drugs,alternatieve middelen en gokken) uit te werken om zo een zorgprogramma aan te bieden.
Volgende punten komen hierin aan bod:
In onze mensvisie benadrukken we dat een patiënt niet zijn diagnose is en evenmin zijn delict of zijn verslaving.
Motivatiebevordering krijgt binnen onze setting een centrale rol, als doel en niet als voorafgaande voorwaarde. We hanteren de cirkel van Prochaska en Diclemente als hulpmiddel om patiënten te kunnen situeren in een bepaalde fase van motivatie. Het zelfdeterminatiemodel is hier eveneens een onderdeel van.
Het clusterpersoneel staat voor een heel duidelijke mening over alcohol en andere drugs en trekt patiënten mee in die positieve attitude. Ook Community Reïnforcement Approach wordt hierin vernoemd zodat alle levensdomeinen worden betrokken in de behandeling.
We hebben een zorgprogramma Middelen uitgewerkt als overgang van de huidige nultolerantie naar een nieuwe mentaliteit, waarin we durven nadenken over gecontroleerd gebruik.
Referenties
Meyers R.J. & Smith J.E., (2008). Handboek voor de behandeling van alcoholverslaving: de community reïnforcement approach. Houten, Bohn Stafleu van Loghum
Verstuyf, J. & Vansteenkiste, M. (2008). Willen versus moeten: de invloed van motivatie op het therapeutisch proces. Agora, 24, 7-22

Mededelingen 6
dinsdag 14 september 2010 16u00-17u30
Beweging en gezondheid

Moderator: Michel Probst

M06.1 Progressieve spierrelaxatie voor mensen met schizofrenie op een opnameafdeling met verhoogd toezicht
Davy Vancampfort,
psychomotorisch therapeut, UPC KULeuven, campus Kortenberg
Marc De Hert, psychiater, adjunct-kliniekhoofd, psychosesector,UPC KULeuven, campus Kortenberg
Jan Knapen, psychomotorisch therapeut, dienst psychomotorische therapie en kinesitherapie, UPCKULeuven, Kortenberg/Leuven
Katrien Maurissen, psychomotorisch therapeut, dienst psychomotorische therapie en kinesitherapie, UPC KULeuven, Kortenberg/Leuven
Seppe Deckx, dienst psychomotorische therapie en kinesitherapie, UPC KULeuven, campus Kortenberg
Ruud van Winkel, psychiater, adjunctkliniekhoofd, psychosesector, psychomotorisch therapeut, UPC KULeuven, campus Kortenberg
Hella Demunter, psychiater, UPC KULeuven, campus Kortenberg
Michel Probst, psychomotorisch therapeut, hoofddocent, diensthoofd psychomotorische therapie, UPC KUleuven, campus Kortenberg; FaBeR KULeuven
Progressieve spierrelaxatie richt zich op het systematisch aan- en ontspannen van de belangrijkste spiergroepen. De methode wordt binnen de psychomotorische therapie veelvuldig toegepast. Een belangrijk voordeel is dat progressieve spierrelaxatie aan de hand van eenvoudige en gestructureerde oefeningen op een relatief korte tijd ingeoefend kan worden. De methode is dan ook zinvol tijdens een korte opname op een afdeling met verhoogd toezicht. De wetenschappelijke evidentie voor het verminderen van een subjectief spanningsgevoel en het verbeteren van het welbevinden bij mensen met schizofrenie wordt, onder meer op basis van eigen onderzoek, besproken. Aanknopingspunten voor toekomstig wetenschappelijk onderzoek worden toegelicht.

M06.2 Psychomotorische therapie voor stemmings- en angststoornissen: evidence basedbenadering en aanbevelingen voor de praktijk
Jan Knapen,
psychomotorisch therapeut, dienst psychomotorische therapie en kinesitherapie - UPC KULeuven, Kortenberg/Leuven
Davy Vancampfort, psychomotorisch therapeut, UPC KULeuven, campus Kortenberg
Seppe Deckx, dienst psychomotorische therapie en kinesitherapie, UPC KULeuven, campus Kortenberg
Michel Probst, psychomotorisch therapeut, hoofddocent, diensthoofd psychomotorische therapie, UPC KUleuven, campus Kortenberg; FaBeR KULeuven
De wetenschappelijke evidentie voor psychomotorische therapie in de behandeling van personen met stemmings- en angststoornissen is gebaseerd op de bevindingen van recente meta-analyses. Bewegen is een effectieve interventie voor personen met lichte tot matige stemmings- en angststoornissen, en biedt een specifieke meerwaarde aan de multidisciplinaire behandeling van ernstige stemmings- en angststoornissen.
Bewegen heeft niet alleen een positief effect op de ernst van de psychiatrische symptomatologie maar leidt eveneens tot positieve neveneffecten op de somatische comorbiditeit en het cognitief functioneren. Tijdens deze mededeling worden aanbevelingen voor de psychomotorische therapie uitvoerig toegelicht.
Referenties
Rethorst, C., Wipfli, B., & Landers, D. (2009). The antidepressive effects of exercise: A meta-analysis of randomized trials. Sports Medicine, 39, 491– 511
Knapen, J., Vancampfort, D. (in press). Exercise for depression and anxiety: an evidence based approach and recommendations for clinical practice

M06.3 Psychomotorische therapie voor stemmings- en angststoornissen: ‘evidence based’ benadering en aanbevelingen voor de praktijk
Davy Vancampfort,
psychomotorisch therapeut, UPC KULeuven, campus Kortenberg
Kim Sweers, psychomotorisch therapeut, dienst psychomotorische therapie en kinesitherapie, UPC KULeuven, Kortenberg/Leuven
Katrien Maurissen, psychomotorisch therapeut, dienst psychomotorische therapie en kinesitherapie, UPC KULeuven, Kortenberg/Leuven
Marc De Hert, psychiater, adjunctkliniekhoofd, psychosesector,UPC KULeuven, campus Kortenberg
Jan Knapen, psychomotorisch therapeut, dienst psychomotorische therapie en kinesitherapie, UPC KULeuven, Kortenberg/Leuven
Ruud van Winkel, psychiater, adjunctkliniekhoofd, psychosesector, UPC KULeuven, campus Kortenberg
Michel Probst, psychomotorisch therapeut, hoofddocent, diensthoofd psychomotorische therapie, UPC KUleuven, campus Kortenberg; FaBeR KULeuven
Inspanningstesten vormen tegenwoordig een belangrijk onderdeel van geïndividualiseerde revalidatieprogramma’s. De 6-minutenwandeltest is een internationaal uitvoerig bestudeerde submaximale inspanningstest die zowel binnen de kinesitherapie als de psychomotorische therapie gebruikt kan worden om de functionele capaciteit van een patiënt in kaart te brengen en te evalueren. De test wordt reeds veelvuldig toegepast bij patiënten met diverse pathologieën, zoals hart- en longaandoeningen. Binnen de geestelijke gezondheidszorg heeft de 6-minutenwandeltest haar nut reeds bewezen binnen de revalidatie van patiënten met Alzheimer en bij mensen met een eetbuistoornis.
In deze mededeling worden op basis van eigen onderzoek de betrouwbaarheid en de klinische toepasbaarheid van de 6-minutenwandeltest besproken bij de revalidatie van mensen met schizofrenie. Aanknopingspunten voor toekomstig wetenschappelijk onderzoek worden toegelicht.

M06.4 Psychomotorische therapie voor stemmings- en angststoornissen: ‘evidence based’ benadering en aanbevelingen voor de praktijk
Julie Raepsaet,
psychomotorisch therapeut, dienst psychomotorische therapie en kinesitherapie, UPC KULeuven, Kortenberg/Leuven
Jan Knapen, psychomotorisch therapeut, dienst psychomotorische therapie en kinesitherapie, UPC KULeuven, Kortenberg/Leuven
Michel Probst, psychomotorisch therapeut, hoofddocent, diensthoofd psychomotorische therapie, UPC KUleuven, campus Kortenberg; FaBeR KULeuven
Psychomotorische therapie voor volwassen psychiatrische patiënten hanteert systematisch en doelgericht bewegingsactiviteiten en lichamelijkheidsopdrachten ten einde de psychische en lichamelijke gezondheid van patiënten te verbeteren. Bij aanvang van de therapie is het wenselijk de motivatie tot bewegen van de patiënt(e) in kaart te brengen. De dienst psychomotorische therapie van het Universitair Psychiatrisch Centrum KULeuven, campus Kortenberg maakt hiervoor gebruik van specifieke vragenlijsten.
Een studie in het Universitair Psychiatrisch Centrum KULeuven, campus Kortenberg (N = 112) onderzocht in welke mate de intrinsieke en extrinsieke motivatie tot bewegen gerelateerd zijn aan het niveau van fysieke activiteit, de perceptie van fysieke fitheid, het algemeen welbevinden, het lichaamsbeeld en het angstniveau. Op basis van de resultaten van deze studie worden specifieke aandachtspunten voor de psychomotorische therapie geformuleerd.
Referenties
Sørensen, M. (2005). Motivation for physical activity of psychiatric patients when physical activity was offered as part of treatment. Scandinavian Journal of Medicine & Science in Sports, 16, 6391 – 6398
Ussher, M., Stanbury, L., Cheeseman, V. & Faulkner, G. (2007). Physical activity preferences and perceived barriers to activity among persons with severe mental illness in the United Kingdom. Psychiatric Services, 58, 405 – 408

Mededelingen 7
dinsdag 14 september 2010 16u00 - 17u30
Samenwerking

Moderator: An Vandeputte

M07.1 Naast elkaar of met elkaar? 10 jaar ondersteunen van multidisciplinair samenwerken in de aanpak van eet- en gewichtsproblemen
An Vandeputte,
coördinator kenniscentrum, Eetexpert.be vzw, Holsbeek
Op vraag van de Vlaamse minister van Welzijn werken we sinds 2000 met preventiewerkers en behandelaars in het uitbouwen van een beter zorgtraject rond eet- en gewichtsproblemen in Vlaanderen. Gezien de problematiek vraagt dit een doorgedreven multidisciplinaire aanpak op alle niveaus en continuïteit van zorg.
Uitgaande van een analyse van wat beroepsgroepen hierbij zelf aangeven, werkten we een divers ondersteuningsaanbod uit voor echt samenwerken met elkaar. In deze bijdrage geven we een stand van zaken van tien jaar ondersteunen van professionals in het samenwerken met elkaar over disciplines en over echelons heen. Bijzondere aandacht gaat uit naar wat zij zelf formuleren als meerwaarde, uitdagingen voor de toekomst, en ervaren valkuilen.

M07.2 De Q-tour: een wat eigenzinnige manier om met een volwaardige kwaliteitszorg begaan te zijn
Filip Morisse,
coördinator 'outreaching' De Steiger, PC Dr. Guislain, campus Sint-Alfons, Gent
Stefanie Everaert, kwaliteitscoördinator, PC Dr. Guislain
Begaan zijn met een volwaardige kwaliteitszorg, hoe doe je dat? In antwoord op het kwaliteitsdecreet en uitgaande van de vraag hoe men dit concreet dient te realiseren waren er de voorbije jaren, binnen het PC Dr. Guislain tal van kritische stemmen te horen. Deze kristaliseerden zich onder impuls van enkele therapeutische coördinatoren tot een Qualitybeweging:de projectgroep Q. Het voorbije jaar toerden ze rond in de eigen instelling. Ze bezochten alle interdisciplinaire teams en openden met hen een levendig debat over wat kwaliteitszorg moet inhouden en hoe men dat tracht te realiseren.
Graag stellen we onze bevindingen voor in wat we als een "en - en" kwaliteitsmanifest benoemen. Dit manifest zien we dan weer als aanzet tot een open en boeiende discussie op het congres.

M07.3 Samenwerking in de zorg voor mensen met de ziekte van Huntington: een liaisonproject
Godelinde Calmeyn,
psycholoog, UPC Sint-Kamillus, Bierbeek
Wim Nevelsteen, psycholoog, UPC Sint-Kamillus, Bierbeek
De ziekte van Huntington is een ingrijpende en complexe aandoening met ernstige moeilijkheden op cognitief, gedragsmatig en psychiatrisch vlak. Om een antwoord te bieden op deze moeilijkheden is een even ingrijpende zorg nodig die vaak in een thuissituatie niet kan geboden worden. De zoektocht naar een geschikt verblijf waar patiënten voor langere tijd kunnen opgevangen worden, is echter problematisch. Twee belangrijke mogelijkheden bij het doorverwijzen van patiënten zijn enerzijds rust- en verzorgingstehuizen (rvt) en anderzijds nursingtehuizen, maar hierbij stoot men op problemen zoals de leeftijdsgrens van 60 jaar voor opname in rvt’s, beperktheid van de KATZ-schaal, wachtlijsten, onvoldoende opleiding en ondersteuning van het personeel, bijkomende verzorgingsaspecten, wachtlijsten, financiële aspecten,...
In april 2009 startte het RIZIV met een liaisonconventie tussen twee psychiatrische ziekenhuizen, drie rvt’s en twee nursingtehuizen. Het doel is het bevorderen van de zoektocht naar een goede verblijfsvorm voor elke patiënt en een oplossing te bieden voor de aangehaalde problemen.
Na één jaar kan een eerste stand van zaken gegeven worden. Er volgt een voorstelling van hoe een dergelijk project de kwaliteit van het verblijfstraject en het welzijn van mensen met de ziekte van Huntington kan verbeteren. Dit wordt vanuit verschillende standpunten belicht: de betrokken personeelsleden, de patiënt en zijn/haar familieleden. Tot slot worden de beperkingen, tekorten en struikelblokken van deze invulling van een liaisonproject besproken, samen met mogelijke toekomstige werkpunten.

M07.4 Samenwerking tussen en met de Limburgse kinder- en jeugdpsychiatrie
Bert Plessers,
stafmedewerker, Spil, Hasselt
Reeds jarenlang biedt Spil de Limburgse kinder- en jeugdpsychiatrie-actoren een gesprekstafel aan. Dit resulteert in een samenwerkingsverband dat op drie verschillende echelons (bestuurlijk, inhoudelijk en casusniveau) overleg pleegt. Daarnaast wordt er geregeld met belendende sectoren (clb, bjb, jeugdrechters, ckg's, ...) samengekomen.
In deze mededeling schetsen we kort de geschiedenis en uitbouw van het samenwerkingsverband en alle overlegorganen en -constructies. We lichten ook een aantal protocollen horizontaal toe (samenwerking K-diensten, cgg en clb & samenwerkingsovereenkomst ggz-bjb), evenals geformuleerde beleidsvoorstellen (projectvoorstel 'kinderen en jongeren met een verstandelijke beperking en ggz-problemen') en projecten (Therapeutische projecten, ontmoetingsgroep, kinder- en jeugdpsychiatrische teamconsultatie binnen bjb).

Mededelingen 8
dinsdag 14 september 2010 16u00 - 17u30
E-mental health - stigma
Moderator: Jan Van Speybroeck

M08.1 Online hulpverlening: chattherapie en online begeleide zelfhulpmodules gewikt en gewogen
Marc Verheyen,
psycholoog, Psycholoog On Line en E-psycholoog vzw, Antwerpen
In Vlaanderen zijn de eerste stappen gezet om chattherapie en online begeleide zelfhulpmodules te implementeren. De waarde en het statuut van deze nieuwe hulpverleningsvorm staan echter nog steeds ter discussie. Nochtans lijkt er vanuit de onderzoeksresultaten sterke evidentie te zijn voor zijn meerwaarde.
Bij chattherapie worden er wekelijks online gesprekken gevoerd in een online gesprekskamer - een chatbox. Er wordt gecommuniceerd door het interactief intypen van tekst.
Bij online begeleide zelfhulpmodules treden cliënten binnen in een internetomgeving waar ze week na week een hulpverleningsprotocol doorlopen. Doormiddel van psycho-educatie, opdrachten en oefeningen wordt er gepoogd om beweging te krijgen in bijvoorbeeld hun depressie. Daarbij geeft de hulpverlener online feedback op het proces van de cliënt en is er ook de mogelijkheid tot een lotgenotencontact via een forum.
De kenmerken, de potentiële meerwaarde, de tekorten en onderlinge verschillen van beide online hulpverleningsvormen worden besproken. Verwacht een uiteenzetting waarbij de eigen ervaringen van de spreker met chattherapie en de ontwikkeling van online begeleide zelfhulpmodules aan bod zullen komen. Deze ervaringen worden verbonden met onderzoeksresultaten en demonstraties.

M08.2 Een onderzoek naar het aanbod en de kwaliteit van online hulp voor nabestaanden na zelfdoding in Vlaanderen en Nederland
Karl Andriessen,
coördinator, suïcidepreventiewerking van de cgg, Gent
Karolina Krysinska, research officer, Centre for Suicide Prevention Studies in Young People, University of Queensland, Brisbane/Australia
Nico De Fauw, beleidsmedewerker, Werkgroep Verder, nabestaanden na zelfdoding, Halle
Katja Blauwbloeme, stafmedewerker, Werkgroep Verder, nabestaanden na zelfdoding, Halle
Na elke suïcide blijven gemiddeld zes nabestaanden achter. Deze nabestaanden hebben nood aan steun, opvang en informatie om het rouwproces te faciliteren en als preventie voor geestelijk gezondheidsproblemen. Het internet is potentieel een waardevolle bron voor informatie en steun voor nabestaanden na zelfdoding, maar de huidige kennis i.v.m. de aard en de kwaliteit van het online materiaal is zeer beperkt (Andriessen, 2008).
Deze studie onderzocht welke informatie nabestaanden na zelfdoding vinden op het internet. Hiervoor doorzochten we in het begin van 2010 het internet met de twee meest gebruikte zoekmachines (Google en Yahoo!) met verschillende zoektermen i.v.m. rouw, verlies, informatie, opvang, hulp, voor nabestaanden na zelfdoding/zelfmoord/suïcide; en postventie. De gevonden websites werden ingedeeld in een aantal categorieën, op basis van eerder onderzoek (o.a. Van Ballegooijen, Van Spijker & Kerkhof, 2009). Daarnaast stelden we een top 15 op van de meest gevonden websites. Deze websites werden geanalyseerd aan de hand van een vooraf bepaalde set van kwaliteitscriteria.
De studie besluit met enkele aanbevelingen voor het aanmaken van online materialen voor nabestaanden alsook voor verder onderzoek i.v.m. het gebruik en de evaluatie van deze materialen.
Referenties
Andriessen, K. (2008). De essentie van postventie. Tijdschrift Klinische Psychologie, 38(1), 6-13
Van Ballegooijen, W., van Spijker, B.A.J., & Kerkhof, A.J.F.M. (2009). De kwaliteit van onlinesuïcidepreventie in Nederland en Vlaanderen in 2007. Tijdschrift voor Psychiatrie, 51(2), 117-122

M08.3 Ervaringen van stigma en discriminatie door patiënten met depressie
Gert Scheerder,
senior onderzoeker, Lucas, KULeuven
Else Tambuyzer, doctoraatsbursaal, Lucas, KULeuven
Chantal Van Audenhove, onderzoekscoördinator, Lucas, KULeuven
Steeds betere hulpverlening en behandeling is beschikbaar voor patiënten met psychiatrische aandoeningen. Een optimaal herstel en sociale participatie wordt echter bemoeilijkt door het stigma en de discriminatie die vaak verbonden zijn aan ernstige psychische problemen. Stigmatiserende opinies en discriminerend gedrag omwille van psychiatrische aandoeningen kunnen zich op tal van manieren voordoen en hebben een sterke impact op het dagelijkse leven van deze patiënten.
In deze bijdrage wordt gerapporteerd over de resultaten van een internationale studie (Anti-Stigma Programme European Network (ASPEN), gefinancierd door DG Sanco) over de beleving van stigma en discriminatie door mensen met depressie. Aan de hand van een gestructureerd interview met patiënten wordt bevraagd op welke levensdomeinen (o.a. werk, vriendschappen, huwelijk, behuizing, vrije tijd) en in welke mate zij stigmatisering en discriminatie ervaren, hoe dit gedrag zich manifesteert en wat hun reactie erop is. Daarnaast wordt ook de relatie met persoonlijk functioneren onderzocht, meer bepaald wat betreft zelfwaardering en empowerment. Kwantitatieve en kwalitatieve resultaten komen aan bod, om zowel zicht te krijgen op aard en voorkomen, als recht te doen aan de beleving door patiënten.

M08.4 De houding van studenten geneeskunde t.a.v. psychiatrische aandoeningen
Gert Scheerder,
senior onderzoeker, Lucas, KULeuven
Chantal Van Audenhove, onderzoekscoördinator, Lucas, KULeuven
Stigmatisering van psychische aandoeningen komt nog steeds vaak voor in onze samenleving. De negatieve impact ervan op betrokkenen is reeds duidelijk aangetoond. Vanuit hun functie kunnen hulpverleners een belangrijke bijdrage leveren aan het bestrijden van dit stigma. Anderzijds zijn hulpverleners zelf ook niet vrij van stigmatiserende attitudes.
Deze studie onderzocht de houding t.a.v. psychiatrische aandoeningen bij studenten geneeskunde (2e bach, n=202), die toekomstige hulpverleners zijn en waarbij verdere beeldvorming tijdens de opleiding mogelijk is. Er werd gebruik gemaakt van de Nederlandstalige versie van de MICA (Mental Illness Clinicians Attitude), een sociale afstandsschaal en een schaal voor stereotypering. Globaal toonden de resultaten een relatief positieve attitude van studenten geneeskunde t.a.v. patiënten met psychiatrische aandoeningen, met een matige sociale afstand en stereotypering. Minder gunstig waren de scores op zelfstigma en de geringe populariteit van een eventuele specialisatie in psychiatrie. Mate van persoonlijk contact blijkt een complexe maar cruciale rol te spelen. In deze bijdrage wordt verder ingegaan op de resultaten en implicaties van deze studie.

Mededelingen 9
woensdag 15 september 2010 9u15 - 10u00
Therapie

Moderator: Franci Abrahams

M09.1 Groepstherapie als ‘vluchtheuvel’ in het ‘hulpverleningslandschap’
Tania Verhelst,
klinisch psycholoog, AZ Sint-Jan, Brugge - Oostende AV
Linda Dejaegher, psychiatrisch verpleegkundige, AZ Sint-Jan, Brugge - Oostende AV
Carmen Vranken, psychiater, AZ Sint-Jan, Brugge - Oostende AV
De overgang van de geborgenheid van een ziekenhuis naar de buitenwereld is groot. En omgekeerd is het niet evident om de wachtperiode voor een opname te overbruggen. Het dagcentrum poogt die overgang in beide richtingen te versoepelen. Meer specifiek biedt ze de mogelijkheid om één keer per week aan een gespreksgroep deel te nemen. De groep fungeert dan afwisselend als een wachtplaats, of een houvast, een soort vluchtheuvel of tussenstop. In die zin biedt ze een alternatief voor de absolute keuze tussen ‘opname’ of ‘ontslag’, doet ze meer recht aan een geleidelijke overgang en kan ze mogelijks een nieuwe opname voorkomen.
De groep is non-directief van opzet: de ruimte en tijd staat immers volledig ter beschikking van de groepsleden. Bijgevolg komen alle mogelijke thema’s aan bod (van praktische vragen over medicatie tot existentiële thema’s) zodat de ‘buitenwereld’ in al haar facetten naar ‘binnen’ wordt gebracht.
Na één jaar evalueren we de groep. Dit wordt geïllustreerd met klinisch materiaal uit interviews met de groepsleden (videofragmenten).

M09.2 “Crisis en mensbeeld in de ggz. Hét echte begin van psychotherapie”, een verhaal!
Fons Verhoelst,
klinisch en gezondheidspsycholoog, seksuoloog, filosoof, psychoanalytisch psychotherapeut, privépraktijk 'Psychoanalytische en Filosofische Consultatie' (ex. Univ. ziekenhuizen KULeuven en MCH Leuven) HIG Brussel, Pellenberg
Kiezen en (of) delen is een Germaanse beslissingsstrategie.... Crisis - het oud-Griekse woord krinomai - betekent kiezen, veranderen, beslechten, (onder)scheiden... en dit kan zowel een kans zijn als een risico. In de ggz moeten er keuzes gemaakt worden. Ggz is aan verandering toe en ‘wie wat doet’ moet opnieuw beslecht worden.
Ggz houdt zich bezig met de psychische gezondheid. Zij houdt zich ook bezig met lichamelijke gezondheid, sociale gezondheid en zinnig functioneren vanuit en door het oog van de "psychische realiteit". Er is veel kritiek op de extreme medicalisering en een nieuwe beweging van antipsychiatrie dient zich aan!
Prioritair is de hulpverlener een specialist in psychische diagnostiek en in de psychotherapie! De multidisciplinaire aanpak zal best op de eerste plaats de psychische ontwikkeling in de levensloop als basisconstruct gebruiken! Ook psychopathologie is een psychologische aangelegenheid. Ondanks de waardevolle aanbreng van de evolutieleer, van de genetica en van de neurofysiologie, is begrijpen en niet verklaren prioritair!
Het paradigma van het biopsychosociaal model zal zijn integratie vinden in het subject dat finaal, ieder op zijn originele manier, een zingevingspoging onderneemt waarbij hij zich kan laten helpen door (gespecialiseerde) hulpverleners.
Het is mijn thesis dat de psycholoog-psychotherapeut de centrale figuur wordt in het helpen bij psychische problemen. Immers Wundt, als grondlegger van de wetenschappelijk psychologie stelde reeds "Psychisches aus Psychischem" "...die Absurdität einer Ableitung des Psychischen aus dem Physichen..."

Mededelingen 10
woensdag 15 september 2010 9u15 - 10u45
Instrumenten

Moderator: Stef Baert

M10.1 Neuropsychologisch diagnostiek bij het postcommotioneel syndroom: mogelijkheden en valkuilen
Bart Schepers,
psycholoog, UPC Sint-Kamillus, Bierbeek
Mild traumatisch hersenletsel leidt in bepaalde gevallen tot langdurige cognitieve, emotioneel-gedragsmatige en lichamelijke klachten zoals hoofdpijn, geheugenproblemen en irriteerbaarheid. Deze klachten blijken soms al even verwarrend te zijn voor de hulpverlener als voor de patiënt. Is er een organische oorzaak? Zijn de problemen eerder psychologisch van aard? Is er sprake van malingeren of aggraveren? Neuropsychologische diagnostiek wordt vaak ingeroepen om zulke vragen te (helpen) beantwoorden, maar ook hier zijn er heel wat valkuilen. Binnen de medico-legale context voelt de patiënt zich niet steeds begrepen of gehoord.
Tijdens deze bijdrage wordt deze problematiek vanuit neuropsychologisch perspectief bekeken. Het belang van een door wetenschappelijk onderzoek geïnspireerde klinische praktijk wordt benadrukt, evenals een diagnostiek die ten dienste staat van goede hulpverlening.

M10.2 De Violence Risk Appraisal Guide. Een Nederlandstalige bewerking
Claudia Pouls,
wetenschappelijk medewerker, OPZC Daelwezeth, Rekem
De Violence Risk Appraisal Guide (VRAG) is een actuarieel risicotaxatie-instrument dat de kans op gewelddadige recidive voorspelt. Het is reeds veelvuldig onderzocht en valide bevonden. Tot nu toe werd weinig tot geen onderzoek verricht bij geïnterneerden met een verstandelijke beperking. De veelbelovende resultaten van de VRAG bij deze doelgroep in diverse landen doet pleiten voor het gebruik ervan. Om dit te realiseren werd vooreerst een Nederlandstalige versie van de VRAG ontwikkeld.
De mededeling handelt over de positie van de VRAG binnen het proces van risicotaxatie, de kwesties die zich stelden bij de vertaling en een schets van een onderzoeksontwerp ontwikkeld binnen het Forensisch Kenniscentrum.
Referenties
Jeandarme, I., Koeck, S., & Pouls, C. (2009). Violence Risk Appraisal Guide. Validiteit bij geïnterneerden met een verstandelijke beperking. Ongepubliceerd manuscript
Harris, G. T., Rice, M. E., & Quinsey V. L. (1993). Violent recidivism of mentally disordered offenders.The development of a statistical prediction instrument, Criminal Justice and Behavior, 20, 315-355
Quinsey, V. L., Harris, G. T., Rice, M. E., & Cormier, C. A. (2006). Violent Offenders: Appraising and Managing (Second Edition). Washington DC, American Psychological Association

M10.3 A.R. Luria en de Luria-Nebraska Neuropsychological Battery
Jo Herbots,
bewegingstherapeut, UPC Sint-Kamillus, Bierbeek
In de psychiatrische diagnostiek en behandeling van verstandelijk gehandicapten is de ontwikkelingsdynamische benadering belangrijk is, om de ontwikkelingsdynamiek (en niet zozeer de psychodynamiek), met de bijhorende bio-psychosociale aspecten in beeld te brengen. Deze benadering heeft vier dimensies als steunpilaren: de biologische dimensie, het sensorisch, motorisch en psychisch functioneren (de functiedimensie), de omgevingsomstandigheden en het ontwikkelingsbeloop. Elk van deze vier dimensies staat met alle andere in verband en ze beïnvloeden elkaar.
In de kliniek is de Luria-Nebraska testbatterij (LNNB) een bruikbaar instrument voor de functiemeting. De batterij is gebaseerd op de ideeën van de Russische neuropsycholoog A.R. Luria, en in het door hem geformuleerd model wordt het brein, de neocortex, verdeeld in drie functionele eenheden of ‘blokken’ die hiërarchisch georganiseerd zijn en samenwerken bij ieder type mentale activiteit. Dit model wordt in de neuropsychologie nog steeds algemeen geaccepteerd. De LNNB is onderzocht op validiteit en betrouwbaarheid (Golden, e.a., 1983).
Komen aan bod: voorstelling en uitwerking van de ideeën van Luria, korte geschiedenis van de test, voorstelling van de test, samen met de betekenis van de items, korte voorstelling van een onderzoek (LNNB-afname bij 425 personen (m/v) met een verstandelijke beperking en comorbide psychiatrische aandoeningen).
Referenties
Golden, C.J., Hammeke, T.A. & Purisch, A.D. (1983). The Luria-Nebraska Neuropsychological Battery manual (Fourth Printing). Los Angeles, Western Psychological Services

M10.4 De Vlaamse versie van de mini pas-add (Psychiatric Assessment Schedules for Adults with Developmental Disabilities): bruikbaarheid en psychometrische kwaliteiten
Eddy Weyts,
orthopedagoog, UPC Sint-Kamillus, Bierbeek
Joke Andries, psychologe, PC Caritas, Melle
Nele D'Hollander, Joris Marrecau, projectgroep mini pas-ad
Filip Morisse, coördinator 'out -reaching' De Steiger, PC Dr. Guislain, campus Sint-Alfons, Gent
Tinne Van Turnhout, projectgroep mini pas-ad
Herman Wouters, orthopedagoog, Stichting Marguerite-Marie Delacroix, Tienen
Bea Maes, Rianne Janssen, KULeuven
Hoewel ondertussen algemeen aanvaard is dat mensen met een verstandelijke beperking kwetsbaar zijn voor het ontwikkelen van een psychiatrische stoornis, blijft het vaststellen van deze problematiek een moeilijk gegeven. Twee grote factoren die daar een rol in spelen zijn het gebrek aan kennis over psychiatrische problemen bij de directe ondersteuners van personen met een verstandelijke beperking en het gebrek aan betrouwbare instrumenten voor diagnostiek. De projectgroep heeft hier voor Vlaanderen iets aan willen veranderen door een veel gebruikt en gewaardeerd instrument, de mini pas-add, uit het Engels te vertalen en in samenwerking met de afdeling orthopedagogiek van de KULeuven een analyse te doen van de psychometrische eigenschappen van de vertaling.
De mini pas-add werd vertaald en een vorming door de auteur zelf werd georganiseerd. Na deze vorming werd het instrument door stafleden gebruikt in een interview van twee begeleiders. Er namen 37 voorzieningen deel aan het onderzoek en er werden gegevens verzameld van 377 personen met een verstandelijke beperking. Daarnaast werden er op de 6 residentiële observatieafdelingen ggz gegevens verzameld van 90 personen met een verstandelijke beperking die verwezen werden omwille van psychiatrische problemen. Voor hen werd er naast de mini pas-add eveneens gebruik gemaakt van een ander instrument, de reiss. Voor alle deelnemers aan het onderzoek werden gegevens verzameld over cliëntkarakteristieken, diagnose en life-events.
Het psychometrisch onderzoek omvat ondermeer betrouwbaarheid tussen twee respondenten en interne consistentie. Voor de validiteit werd gekeken naar de overeenkomst met de psychiatrische diagnoses op de observatieafdelingen en naar de vergelijking met de reiss.
Het opzet van het onderzoek en de resultaten van de analyses worden besproken.

Mededelingen 11
woensdag 15 september 2010 9u15 - 10u45
Diverse thema's

Moderator: Myriam Vervaet

M11.1 Denken anorexia nervosa patiënten anders? Resultaten uit neuropsychologisch onderzoek
Sara Van Autreve,
klinisch psycholoog, assisterend academisch personeel, Centrum voor Eetstoornissen, Vakgroep Psychiatrie en Medische Psychologie, UGent
Myriam Vervaet, psycholoog, coördinator psychodiagnostiek, Centrum voor Eetstoornissen, Vakgroep Psychiatrie en Medische Psychologie, UGent
Recente onderzoeksbevindingen suggereren dat het neuropsychologisch functioneren van personen met anorexia nervosa (AN) enkele specifieke kenmerken vertoont. Bovendien blijken deze kenmerken niet toestandsgebonden maar trekgebonden.
Deze neuropsychologische dysfuncties resulteren in een cognitieve stijl die gekenmerkt wordt door een zwakke centrale coherentie (Lopez, et al, 2009) en een verminderde mentale flexibiliteit (Roberts et al, 2007). Concreet zorgt een zwakke centrale coherentie voor een superieure detailverwerking gecombineerd met een verminderde globale informatieverwerking, een cognitieve stijl die in zowel klinische settings als onderzoekssettings wordt bevestigd. Een verminderde mentale flexibiliteit houdt in dat de inhibitie van een stimulus-respons associatie en tegelijk een verschuiving naar een nieuw gedefinieerde associatie bemoeilijkt wordt. Ook deze rigiditeit wordt bevestigd in de klinische praktijk.
In de mededeling worden deze recente neuropsychologische onderzoeksresultaten toegelicht en samengebracht met eigen onderzoeksbevindingen. Op basis van data uit de eigen onderzoeksgroep wordt de relatie van deze cognitieve variabelen met klinische en persoonlijkheidsvariabelen besproken. Ten slotte worden op basis van de onderzoeksresultaten suggesties gedaan voor de klinische praktijk in het algemeen en de behandeling van AN in het bijzonder.
Referenties
Lopez, C., Tchanturia, K., Stahl, D., Booth, R., Holliday, J., Treasure, J. (2008). An examination of the concept of central coherence in women with anorexia nervosa. International Journal of Eating Disorders, 41, 143-152
Roberts, M. E., Tchanturia, K., Stahl, D., Southgate, L., Treasure, J. (2007). A systematic review and meta-analysis of set-shifting in eating disorders. Psychological Medicine, 37, 1075-1084

M11.2 Het kokon-principe bij de aanpak van slaapproblemen
Bruno Ariens,
huisarts, slaapcoach, VHYP, Herenthout
In de eerste lijn worden we dikwijls geconfronteerd met de vraag over slaapproblemen. Om op een vlotte en doeltreffende manier een juist antwoord op deze vraag te bieden heb ik een hulpmiddel voor de hulpverlener en voor zijn patiënt ontwikkeld: COCON. COCON is een mnemotechnisch hulpmiddel en staat voor de beginletters van de vijf onderdelen in de diagnose en therapie bij de patiënt. Met deze vragen kan men op een minimum van tijd een juiste diagnose stellen en een beleid starten. Deze items sluiten nauw aan bij de patiëntenbrochure ‘Gids voor een rustige nacht’. Het letterwoord staat voor:
C: complaint (klachten van de slaap)
O: off-day (overdag gevolgen? Slapeloosheid is immers een 24 uur probleem)
C: characteristics (kenmerken slapeloosheid. Is er echt nood aan slaapmedicatie?)
O: origin (oorzaken van slapeloosheid)
N: non-medicamental approach (niet-medische benadering).

M11.3 Het duaal procesmodel van verslaving. Beschouwingen vanuit de neurobiologie, de sociale psychologe en de psychoanalyse
Marc Hebbrecht,
psychiater/psychotherapeut, psychoanalyticus, Vlaamse Vereniging voor Psychoanalytische Therapie; PZ Sancta Maria Sint-Truiden; UPC KULeuven, campus Kortenberg
Ronny Vandermeeren, klinisch psycholoog, psychoanalytisch psychotherapeut, PZ Sancta Maria, Sint-Truiden
Vanuit de neurobiologie en de sociale psychologie wordt ons een duaal procesmodel van verslaving aangereikt. Hiermee wordt gedrag begrepen als dynamisch resultaat van een combinatie van automatische en controlerende processen. De balans tussen beide processen blijkt in het geval van een verslaving ernstig verstoord. Automatische processen blijven impulsen geven tot het verderzetten van het verslavingsgedrag; zwakke reflectieve of controlerende processen vormen zowel oorzaak als gevolg van het niet kunnen stoppen met de verslaving.
In deze mededeling wordt getracht om enkele psychoanalytische inzichten rond verslaving te herbekijken in het licht van een duaal procesmodel. Het werk van Bion en van Descombey wordt als leidraad gehanteerd. Aan de hand van casuïstiek wordt verduidelijkt hoe vanuit een psychoanalytische invalshoek beide soorten processen in de behandeling van verslaafde patiënten kunnen worden aangesproken om de verstoorde balans terug meer in evenwicht te brengen.
Referenties
Bion, W.R. (1967). Second thoughts. Selected papers on psychoanalysis. London, Karnac
Descombey, J. (2005). L’économie addictive. L’alcoolisme et autres dépendances. Paris, Dunod
Dom, G. & De Wilde, B. (2009). Controleverlies. In: Franken, I. & van den Brink, W. (Red.). Handboek verslaving. Utrecht, De Tijdstroom
Wiers, R.W. (2007). Slaaf van het onbewuste. Over emotie, bewustzijn en verslaving. Amsterdam, Bert Bakker

M11.4 Psychosomatiek: evolutie van een amfibie
Frank Maes,
psychiater, dagbehandeling somatoforme stoornissen, Levanter, Duffel
De mens is fundamenteel een tweeslachtig wezen: tussen engel (geest) en dier (lichaam). In die zin kan psychosomatiek (in ruime zin: alle lichamelijke klachten en disfuncties waaraan psychologische factoren een aandeel hebben) gezien worden als de meest fundamenteel menselijke pathologie. We belichten de "evolutie van dit amfibie" vanuit een historische invalshoek. De conceptualisering van onverklaarde lichamelijke klachten maakte een hele evolutie door en patienten pasten zich aan deze paradigma wijzigingen aan. Ook de hulpverleners komen en gaan in steeds wisselende gedaante en brengen een bonte verzameling heilsmiddelen met zich mee.
Er is sedertdien veel veranderd en toch.... "l’h(Y)stoire se répète". Concepten als hysterie, somatisatie, psychosomatiek, neurasthenie, alexithymie hebben een avontuurlijk verleden. Hebben ze ook een toekomst? En hoe kunnen we ze integreren in een wereldbeeld waarin ondertussen de stressfysiologie en de neurowetenschappen hun intrede hebben gemaakt?

Mededelingen 12
woensdag 15 september 2010 10u00 - 10u45
Naar een andere psychiatrie

Moderator: Jürgen De Fruyt

M12.1 Een nieuw paradigma in de psychiatrie
Leo Ruelens,
psychiater, Sint-Andries Ziekenhuis, Tielt
Vertrokken wordt van een aantal impasses in de hedendaagse psychiatrie, zoals daar zijn:
- De sterke biologisering en ‘farmacologisering’
- De problematische nosografische classificatie (DSM)
- De alliantie psychiatrie- gedragswetenschappen
- De dictaten van het evidence-based princiepe enz…
Deze aspecten worden geproblematiseerd omdat ze als probleem ervaren worden door vele individuele patiënten, die zich verweesd voelen in hun wezenskern als subject, als ‘totale’ mens.
In deze bijdrage wordt het begrip subject geëxpliciteerd. De antropo-psychiatrie vertrekt vanuit dit zijnsaspect van de mens, en niet vanuit een biologische machine, een ziekte, een gedrag of een meetbaar object. Als gevolg daarvan geeft ze een nieuwe inhoud aan het begrip ‘normaliteit’ en biedt ze een psychiatrie op maat van het individu, door haar van binnenuit te herdenken, vertrekkende van wat de mens ‘drijft’ in het leven…

M12.2 Antropopsychiatrie: the heart of the matter
Marc Calmeyn,
psychiater, psychoanalyticus, Belgische School voor Psychoanalyse; privé-praktijk 'Lelieveld' Loppem; PZ Onze-Lieve-Vrouw, Brugge
Antropopsychiatrie werpt een fundamenteel nieuw licht op de denk- en werkveld van de psychiatrie.
In deze bijdrage wordt haar basispremisse uiteengezet, namelijk de psychiatrie als hét specifieke terrein waar zich de mens àls mens toont in zijn psychopathologie: antropo-psychiatrie. Er wordt verduidelijkt wat de relevantie voor de hedendaagse praktijk (diagnose en behandeling) is. Zo wordt in concreto de bijdrage aan het aflijnen van het essentieel depressief zijn belicht (gestaafd door evidence-based onderzoek) en de weerslag op behandeling belicht. Ook het theoretische en klinische belang van de psychoanalytische metafoor van het kristalprincipe wordt uitgelegd als zijnde meer recht doen aan de psychische realiteit van de patiënt en omgeving. Tenslotte wordt in dialoog gegaan met het huidige denken over de psychiatrie waar de DSM-classificatie een belangrijke rol in speelt. Want zoals men denkt over de mens, zo gaat men er mee om…

Mededelingen 13
woensdag 15 september 2010 11u15 - 11u45
Chronische ziekte

Moderator: Marc Eneman

M13.1 Van red monkey tot G-pact: een vernieuwend zorgproject voor mensen met een langdurige en complexe problematiek
Yves Van Steenkiste,
therapeutisch coördinator PVT, PC Dr. Guislain, campus Lorkenstraat, Gent
G-pact staat voor een vernieuwend zorgproject dat een optimale reïntegratie in de maatschappij nastreeft voor mensen met schizofrenie of andere psychotische stoornissen en waarbij de ziekte een langdurig en complex verloop kent. Het project wil tevens nagaan of het anders organiseren van de zorg, zowel naar inhoud als naar organisatie, een meerwaarde kan realiseren voor mensen met een langdurige en complexe problematiek.
We brengen verslag over dit project: opzet, aanpak, uitwerking, de eerste resultaten. Tevens willen we een debat opzetten over vermaatschappelijking van zorg.
Voor het pilootproject werden een beperkt aantal patiënten geselecteerd. Om ‘samen met’ elk van deze patiënten een individueel zorgplan uit te werken gericht op een optimale reïntegratie in de maatschappij werd een projectteam samengesteld. Dat team is multidisciplinair samengesteld en bevat tevens één medewerker van elk van de betrokken afdelingen of diensten. Deze medewerkers maken deels tijd vrij voor hun opdrachten en patiëntenbegeleidingen in het projectteam, maar blijven verder verbonden aan hun afdeling met zijn specifieke werking. We creëerden zo voor de geselecteerde patiëntengroep een eigen team dat de zorg voor de alle patiënten op zich neemt, waar de patiënt zich ook bevindt: zowel binnen als buiten het centrum.

M13.2 Méér dan geheugenstoornissen: holistische therapeutische strategieën bij Korsakoffpatiënten
Bart Schepers,
psycholoog, UPC Sint-Kamillus, Bierbeek
Rie Janssens, UPC Sint-Kamillus, Bierbeek
Michel Malfroid, ouderenpsychiater, UPC Sint-Kamillus, Bierbeek
De stelling wordt verdedigd dat rehabilitatie en resocialisatie van personen met het syndroom van Korsakoff de moeite waard is, mits voldoende aandacht wordt geschonken aan allerlei geassocieerde of secundaire problemen. De geheugenstoornissen zijn vaak wel het meest zichtbaar aanwezig, maar daarnaast belemmeren apathie, agressie, zelfoverschatting, blijvend alcoholmisbruik, afhankelijk of angstig gedrag vaak een optimale maatschappelijke herintegratie. Vanuit het kader van de empathisch-directieve benadering wordt doorheen vele praktijkervaringen een kader geschetst voor het inrichten van een therapeutisch milieu waarin het globale functioneren en disfunctioneren van de patiënt aan bod komt. Hulpverleners die Korsakoffpatiënten begeleiden leren hoe ze beter met allerlei gedragsproblemen kunnen omgaan. Daarnaast wordt ook voldoende aandacht besteed aan de psychofarmacologische mogelijkheden.

M13.3 Een ethische visie op langdurige psychiatrische zorg
Axel Liégeois,
docent, KULeuven; Broeders van Liefde, Gent
In deze mededeling wordt een ethisch advies van de Broeders van Liefde over langdurige psychiatrische zorg voorgesteld. Uitgangspunt is de huidige beleidsvisie waar vooropgesteld wordt dat de plaats van zorg best in de maatschappij is, zo dicht mogelijk in het natuurlijke leefmilieu van de patiënt, en dat de duur best zo kort mogelijk wordt gehouden. Vanuit ethisch perspectief is vermaatschappelijking van zorg echter geen doel op zich, maar een middel om de kwaliteit van zorg te verbeteren, die op zijn beurt een middel is om de kwaliteit van leven van de patiënt te verhogen. Daarom is de beste plaats van zorg deze die de kwaliteit van zorg verhoogt en de beste duur deze die nodig is om kwaliteit van zorg te bieden, met oog op kwaliteit van leven.
Deze visie heeft een aantal consequenties voor zorg en beleid. Een eerste is dat patiënt, naastbetrokkenen en zorgverleners in een ‘trialoog’ op geregelde tijdstippen, bij voorkeur minimaal twee keer per jaar, de kwaliteit van zorg in een bepaalde zorgvorm evalueren en daaruit de passende conclusies trekken. Een tweede consequentie is dat beleidsverantwoordelijken streven naar een evenwichtig zorgaanbod of ‘balanced care’ waarbij nieuwe zorgvormen ontwikkeld worden, langdurige psychiatrische zorg als een volwaardige specialisatie uitgebouwd wordt en voor patiënten geen dwingende keuzes vanuit economische motieven opgelegd worden.
Referenties
Liégeois, A. (2009). Waarden in dialoog. Ethiek in de zorg. Leuven, LannooCampus
Thornicroft G. & Tansella, M. (2009). Better Mental Health Care. Cambridge, Cambridge University Press

Mededelingen 14
woensdag 15 september 2010 11u15 - 11u45
Emancipatie

Moderator: Patrick Claeys

M14.1 ITHACA - Een monitoring van de mensenrechten en de algemene gezondheidszorg in twaalf psychiatrische voorzieningen in België
Marian De Groof,
onderzoeker, wetenschappelijk medewerker, Lucas, KULeuven
Sofie Taeymans, wetenschappelijk medewerker, Lucas, KULeuven
Else Tambuyzer, doctoraatsbursaal, Lucas, KULeuven
Chantal Van Audenhove, onderzoekerscoördinator, Lucas, KULeuven
Julien Bianchi, Didier Moulin, Maurice Wirtgen, Karima Enejari, L'Elan ASBL, Herstal
Bernard Jacob, projectmedewerker participatie, L'Elan ASBL, Herstal
Wereldwijd worden duizenden personen die in psychiatrische voorzieningen verblijven het slachtoffer van marteling, mishandeling of slechte bejegening. In 2007 werd de ITHACA-studie opgestart om hier verbetering in te brengen (Institutional Treatment, Human Rights And Care Assessment). Het is een driejarige, internationale studie over mensenrechten en algemene gezondheidszorg in psychiatrische voorzieningen. Het wordt gefinancierd door een divisie van de Europese Commissie, gecoördineerd door King’s College in Londen en vindt plaats in vijftien landen (http://www.ithaca-study.eu). Voor de studie werd een audit-instrument ontwikkeld waarmee zowel de mensenrechten als de algemene gezondheidszorg in voorzieningen nagegaan kunnen worden. De voornaamste doelstellingen van de studie zijn:
- een praktische methode ontwikkelen om goede praktijken te identificeren in verband met mensenrechten en algemene gezondheidszorg
- deze goede praktijken verspreiden om de bescherming van de mensenrechten en de algemene gezondheidszorg in psychiatrische voorzieningen te verbeteren
- een pan-Europees netwerk vestigen dat toegewijd is aan het ondernemen van acties om de kwaliteit van de zorg in psychiatrische voorzieningen te verbeteren.
In België werden er zowel door Lucas-KULeuven (Vlaanderen) als l'Élan ASBL (Wallonië en Brussel) zes monitorings uitgevoerd aan de hand van het ontwikkelde audit-instrument. Deze studie werd gefinancierd door de FOD Volksgezondheid. In deze bijdrage worden zowel de onderzoeksresultaten als de hieruit voortvloeiende aanbevelingen besproken.

M14.2 Een tweede tevredenheidsonderzoek bij beschut wonen De Hulster
Sofie De Meersman,
onderzoeksmedewerker, beschut wonen De Hulster, Leuven
Dirk De Wachter, psychiater, beschut wonen De Hulster, Leuven
In dit onderzoek werd er gekozen voor twee relevante outcomevariabelen, namelijk kwaliteit van leven (gemeten met de WHOQoL-Bref) en cliëntwaardering (gemeten met de ggz-thermometer). Uit de resultaten bleek dat de gemiddelde perceptie van de bewoners over hun kwaliteit van leven gemiddeld tot goed is. De bewoners zijn in hoge mate tevreden over de informatie die ze krijgen omtrent de begeleiding, de hulpverleners en het resultaat van de begeleiding. Over de inspraak in de begeleiding zijn ze minder tevreden. In de open vragen was er ruimte voor opmerkingen en suggesties, welke besproken werden in teamoverleg en vertaald naar concrete werkpunten.
Naar aanleiding van deze resultaten werd een werkgroep opgesteld voor het ontwerpen van een begeleidingsplan. Enkele bewoners namen regelmatig deel aan de vergaderingen. Op deze manier is het tevredenheidsonderzoek een vertrekpunt geworden voor veranderingen gericht op waardevolle kwaliteitsverbeteringen.
Referenties
Baert, S., Desmit, F., Herman, E., Verbeerst, L., Adriaenssens, K., De Wachter, D. & Casselman, J. (2009). De introductie van uitkomstenmanagement: vier verhalen uit de praktijk. Verslag symposium vierde geestelijke gezondheidscongres, Antwerpen 17 september 2008. Deel 7. In de VVGG-reeks: Uitkomstenmanagement in de geestelijke gezondheidszorg in Vlaanderen. Gent, VVGG

M14.3 Geestelijke gezondheidsbevordering voor kansarmen: de goed-gevoel-stoel
Kim Schutters,
projectmedewerker, Vlaams Instituut voor Gezondheidspromotie en Ziektepreventie, Brussel
Om de geestelijke gezondheid te bevorderen beveelt het Vlaamse actieplan suïcidepreventie 2006-2010 aan een initiatief uit te werken over zelfeducatie en zelfzorg. Zelfeducatie stimuleert de zelfredzaamheid ten aanzien van bedreigingen voor de geestelijke gezondheid en bekrachtigt tegelijkertijd de aanwezige sterktes in mensen.
Dit initiatief kreeg vorm in de campagne ‘Fit in je Hoofd – Goed in je vel’. Ze bracht het belang van een goede geestelijke gezondheid onder de aandacht en trachtte op die manier problemen als depressie en zelfdoding uit de taboesfeer halen. Tien positieve stappen bieden een leidraad voor een beter mentaal evenwicht.
De campagne is een succes, maar desondanks dreigen een aantal groepen de Fit in je hoofd - campagne mis te lopen. De gekozen methodiek en implementatie zorgen ervoor dat onder andere de kansarme doelgroep moeilijk hun weg vindt naar www.fitinjehoofd.be.
Om de geestelijke gezondheid ook bij deze doelgroep te bevorderen, kregen we van de Vlaamse overheid de kans om een aangepaste methodiek voor kansarmen te ontwikkelen. In dit nieuwe project trachten we op maat van de doelgroep te werken en rekening te houden met hun leefwereld en drempels. In samenwerking met Cedes vzw (beweging voor integrale armoedebestrijding) werd een methodiek ontwikkeld met een praatmodel en een doe-activiteiten.
Met deze mededeling maken de deelnemers kennis met de methodiek van de goed-gevoel-stoel en leren ze over aandachtpunten in het werken rond geestelijke gezondheid met de kansarme doelgroep.

Mededelingen 15
woensdag 15 september 2010 13u45 - 15u15
Verpleegkunde

Moderator: Kris Vaneerdewegh

M15.1 Crisis als kans? Psycho-educatie in groep op een paaz vanuit gedragstherapeutisch perspectief
Evelien De Kempeneer,
psycholoog, gedragstherapeut, paaz Algemeen Stedelijk Ziekenhuis, Aalst
Psycho-educatie omvat informatie geven zodat patiënten een kader kunnen scheppen om te leren omgaan met hun problemen. Op een psychiatrische afdeling van een algemeen ziekenhuis staan kortdurende opnames en heterogeniteit aan diagnoses centraal. Dit betekent dat er verschillende hinderpalen zijn om er bestaande diagnosespecifieke of groepstherapeutische programma’s te implementeren. De aanpak in groep is nochtans effectief en efficiënt: men bereikt meer mensen op minder tijd en men profiteert van de steun van ‘lotgenoten’. Vanuit de scientist-practitioner-visie heb ik een bruikbaar en interactief groepsprogramma samengesteld dat een creatief antwoord biedt op moeilijkheden eigen aan een paaz. Enerzijds moet door de snelle turn-over een laagdrempelige reeks worden samengesteld waarbij elke ‘aflevering’ kan ingestapt worden. Anderzijds moet de reeks toegankelijk zijn voor patiënten met verschillende diagnoses. Het groepsprogramma focust op factoren die herstel bevorderen en herval vermijden tijdens en na een crisis door gezonde en adequate strategieën aan te bieden om met problemen om te gaan.
Na het kritisch doornemen van de recente literatuur ter zake maak ik enkele keuzes naar groepssamenstelling, inhoud, werkvorm, materiaal, duur, verloop en therapeutische vaardigheden. De zeven werkgroepen zijn getiteld: Problemen oplossen, Omgaan met stress, Karaktertrekken, Denken/voelen/doen, Veranderen, Angst en Relaties. Het hele pakket is opgevat vanuit een gedragstherapeutisch denkkader.

M15.2 Het psychiatrisch liaisonteam AZ Sint-Jan Brugge-Oostende AV
Jan Sys,
gegradueerd psychiatrisch verpleegkundige, psychiatrisch liaison team, Departement Psychiatrie-Pschosomatiek, AZ Sint-Jan, Brugge - Oostende AV
Het psychiatrisch liaisonteam AZ Sint-Jan Brugge-Oostende AV werd een jaar geleden opgestart om tegemoet te komen aan de vraag naar inschatting en opvolging van patiënten met een psychiatrische problematiek tijdens opname in het algemeen beddenhuis. Het team is samengesteld uit twee psychiatrisch verpleegkundigen en een psychiater (in opleiding). Het liaisonteam wordt ingeschakeld na een schriftelijke of telefonische aanvraag. Van zodra het liaisonteam op de afdeling komt, wordt er gestart met een verpleegkundig liaisondossier. Dit wordt opgemaakt aan de hand van het gesprek met de patiënt en de info van het behandelend team. Hierbij gebeurt een observatie van algemeen klinische en psychische status, navraag van psychiatrische voorgeschiedenis en uitgebreide psychosociale anamnese. In overleg (psychiatrisch verpleegkundige, psychiater, behandelend team) wordt dan een psychiatrisch beleid vastgelegd: verpleegkundig advies, psychiatrisch advies, verpleegkundig liaisonbeleid. Vervolgens wordt er - indien nodig - een follow-upconsult geregeld en kan er bij problemen steeds contact worden opgenomen. De werking wordt toegelicht met registratiegegevens van de voorbije jaren. Er wordt stilgestaan bij de specifieke taken die hierbij zijn weggelegd voor de psychiatrisch verpleegkundige: mogelijkheden en beperkingen.

M15.3 Relationeel verplegen. De relatie patiënt – verpleegkundige als core business van de psychiatrisch verpleegkundige
Jo Gommers,
onderzoeker, Katholieke Hogeschool Limburg, Hasselt
De psychiatrisch verpleegkundige heeft traditioneel een duidelijke en belangrijke plaats in de intramurale zorg- en behandelcentra. De specifieke insteek van de verpleegkundige (laagdrempelige beschikbaarheid, breedspectrumoriëntatie, werken van het leefmilieu van de patiënt, ‘hier en nu’-benadering) maakt dat ze een unieke bijdrage levert in een interdisciplinair therapeutisch aanbod. Een veel minder duidelijke plaats/taak heeft de psychiatrisch verpleegkundige in een extramurale ggz. Bovendien staat de positie van de verpleegkundige onder druk als gevolg van de schaarste op de arbeidsmarkt.
Een aanzet tot reflectie over deze problematiek kan gevonden worden in de resultaten van het onderzoeksproject: Professionalisering van de verantwoordelijk verpleegkundige in de ggz. Dit project heeft tot doel inzicht te verwerven in het inhoudelijke luik van de organisatievorm patiëntentoewijzing. Aan de hand van open interviews werd gepeild naar ervaringen van patiënten en verpleegkundigen omtrent het proces en dynamiek tussen patiënt en verpleegkundige. De output van het onderzoek resulteert o.m. in een competentieprofiel van de verantwoordelijke verpleegkundige.
Door de focus te leggen op competenties wordt het disciplinedenken genuanceerd. Bovendien blijkt uit de resultaten van het onderzoek dat de relationele competenties sterk op de voorgrond staan. Deze relationele component kan, naast de hierboven genoemde specifieke kenmerken, als troef voor de toekomst worden uitgespeeld. De voorwaarde is natuurlijk dat de verpleegkundige de hoge verwachtingen dan ook kan waarmaken.
Referenties
Gommers, J. & Van Audenhove Ch. (2010). Professionalisering van de verantwoordelijk verpleegkundige in de geestelijke gezondheidszorg. Eindrapport van PWO Katholieke Hogeschool Limburg

Mededelingen 16
woensdag 15 september 2010 13u45 - 15u15
Dementie

Moderator: Nele Spruytte

M16.1 Ontwikkeling van een zorgtraject voor ouderen met psychische problemen of dementie door samenwerking tussen de verschillende sectoren in de gezondheidszorg
Inge De Sloovere,
projectmanager, vzw Menos, Genk
Eveline Eerdekens, ouderenteam, CGG LITP, Hasselt
Rita Wiame, domeincoördinator ggz, Wit-Gele Kruis, Limburg; Speerpunt ggz KHLim Quadri, Hasselt/Genk
Dr. Olbrechts, vzw Prometheus
Guido Van Hamme, teamcoördinator, dienst psychologie, Ziekenhuis Oost-Limburg, Genk
De toenemende vergrijzing confronteert ons met een toename van het aantal ouderen met psychische/psychiatrische problemen of dementie. Mantelzorgers maar ook zorg- en hulpverleners uit de eerste lijn worden geconfronteerd met een gebrek aan kennis en expertise om deze doelgroep te begeleiden.
Binnen de regio Genk hebben diverse zorgpartners sectoroverschrijdend de krachten gebundeld om een antwoord te bieden op deze demografische evolutie en de daarmee gepaard gaande problemen. Op 8 november 2008 werd door het OCMW Genk, CGG/LITP, het Wit-Gele Kruis Limburg en de huisartsenvereniging vzw Prometheus, de vzw Menos opgericht. Met het Ziekenhuis Oost-Limburg werd een samenwerkingsovereenkomst gesloten. Dit samenwerkingsinitiatief heeft tot doel een zorgketen te ontwikkelen voor zorgbehoevende ouderen met psychisch/psychiatrische problemen of dementie en hun omgeving (mantelzorgers, hulpverleners,...).
In deze mededeling willen we aan de hand van het samenwerkingsinitiatief Menos aantonen dat de antwoorden op complexe zorgvragen niet altijd moeten gezocht worden in de ontwikkeling van nieuwe initiatieven. Door intensieve samenwerking en uitwisseling van expertise tussen verschillende zorgactoren wordt in dit initiatief getracht om de drempel tot adequate en noodzakelijke gerontopsychiatrische/-psychologische zorg te verkleinen, zodat de doelgroep in de best mogelijke omstandigheden kan begeleid en behandeld worden. Aan de hand van enkele projecten die in dit samenwerkingsinitiatief zijn ontstaan willen we de meerwaarde aantonen van deze sectoroverschrijdende samenwerking evenals de obstakels en knelpunten die een dergelijke samenwerking met zich meebrengen.

M16.2 Een ontmoetingsgroep voor personen met beginnende dementie? Het kan!
Kim Van Beylen,
psychologe, CGG PassAnt, Leuven
Katrien Kesenne, psychiater, CGG PassAnt, Leuven
Katharina Mertens, CGG PassAnt, Leuven
Stien Claus, maatschappelijk werker, CGG PassAnt, Leuven
Annemie Janssens, psychologe, CGG PassAnt, Leuven
Mimi Deboiserie, directeur, CGG PassAnt, Leuven
Expertisecentrum dementie Memo en centrum voor geestelijke gezondheidszorg PassAnt startten in november 2009 met een ontmoetingsgroep voor mensen met beginnende dementie. Zij inspireerden zich hiervoor op de ontmoetingsgroep, ingericht door expertisecentrum dementie Foton te Brugge.
Doel van de groep is om mensen met beginnende dementie samen te brengen. Zij krijgen de gelegenheid ervaringen met elkaar uit te wisselen. Dit helpt hen om hun ziekte bespreekbaar te maken en te aanvaarden. We gaan uit van de mogelijkheden en de eigen sterktes van de deelnemers. De sessies zijn opgebouwd volgens een vast patroon. In het eerste deel van de sessie worden bewegings- en ontspanningsoefeningen gegeven om de deelnemers te helpen de aandacht naar hun lichaam en hun gevoelswereld te brengen. Het tweede deel van de sessie bestaat uit een groepsgesprek. Er is geen vooraf bepaald thema. Deelnemers kiezen zelf waarover ze willen spreken. Er wordt veel belang gehecht aan een goede sfeer in de groep, aangezien het net dat is wat de deelnemers het meeste bij blijft.
In deze persoonlijke mededeling willen wij onze eerste ervaringen met deze ontmoetingsgroep weergeven. We lichten toe hoe de deelnemers in de groep terecht kwamen, hoe de sessies zijn opgebouwd, wat de ervaringen van de deelnemers zijn en hoe wij zelf staan tegenover het inrichten van en vorm geven aan een groep voor mensen met beginnende dementie.
Met steun van het Provinciebestuur Vlaams-Brabant.

M16.3 De zin (of onzin) van cognitieve training bij veroudering en inzettende dementie
Bart Schepers,
psycholoog, UPC Sint-Kamillus, Bierbeek
Het brein is in de mode. Neurowetenschappelijk onderzoek wordt gepopulariseerd waardoor heel wat ongenuanceerde opvattingen over de plasticiteit en maakbaarheid van onze hersenen kunnen ontstaan. Gerelateerd aan maatschappelijke problemen zoals de vergrijzing en dementie vertaalt dit zich in een massale aansporing tot hersengymnastiek, braintraining of –fitness. En het doel is vaak niet minder dan je mentale leeftijd met 10 jaar te verjongen…
Echter, wat mogen van dit alles geloven? De werkzaamheid van zulke trainingen wordt in de media vaak gepolariseerd. Werkt cognitieve training nu wel of niet? En kunnen we bijvoorbeeld dementie hiermee uitstellen? Hoe ver staat het eigenlijk met de wetenschappelijke bevindingen in verband hiermee?
In deze mededeling wordt de effectiviteit van cognitieve training en rehabilitatie kritisch onder de loep genomen, met als doel een wetenschappelijke stand van zaken te geven en enige richtlijnen voor de praktijk.

M16.4 Thuisbegeleiding bij dementie
Nele Spruytte,
senior onderzoeker, Lucas, KULeuven
Anja Declercq, senior onderzoeker, Lucas, KULeuven
Chantal Van Audenhove, onderzoekscoördinator, Lucas, KULeuven
Vraagstelling In België leven naar schatting 130.000 personen met dementie. Driekwart van hen woont thuis. Het Expertisecentrum Dementie Foton (Brugge) werkt al meerdere jaren met dementieconsulenten die psychosociale thuisbegeleiding bieden voor personen met dementie en hun familie. Lucas voerde een evaluatie uit van deze thuisbegeleidingsdienst.
Methode
Eerst is het model van thuisbegeleiding van Foton kernachtig omschreven. Verder zijn alle begeleide families van één jaar aangeschreven en 34 mantelzorgers hiervan werden geïnterviewd aan de hand van een gestructureerde vragenlijst. Het accent lag hierbij vooral op de tevredenheid met de thuisbegeleiding. Een focusgroep is gehouden met vertegenwoordigers van het regionale zorgveld om in te gaan op de waarde en misverstanden over thuisbegeleiding bij dementie.
Resultaten
Het model van thuisbegeleiding dementie van Foton kan omschreven worden als vraaggericht en holistisch, laagdrempelig, contextueel, geweldloos en empowerend, samenwerkend en specialistisch. De 34 mantelzorgers zijn bijzonder tevreden over de geboden begeleiding. Vooral het krijgen van een luisterend oor en het krijgen van informatie en advies op maat worden zeer sterk gewaardeerd. Er is een nood aan advies over het omgaan met gedrags- en stemmingsproblemen. De hulpverleners waarderen vooral de trajectbegeleiding en uiten weinig weerstand.
Foton doet veel inspanningen op het vlak van samenwerking, bekendmaking en communicatie, wat blijvend nodig is. Verdere uitklaring van de doelstelling (onder meer inzake zorgbemiddeling) lijkt aangewezen.
Conclusie
Thuisbegeleiding bij dementie blijkt een waardevolle vorm van psychosociale hulpverlening.