14 en 15 september 2010
Gent
Geestelijke gezondheid: kiezen en delen

symposium


De symposia die doorgingen tijdens het vijfde ggzcongres op 14 en 15 september 2010 te Gent welke het thema: 'Geestelijke gezondheid: kiezen en delen' droeg kan u hieronder terugvinden.


Symposium 1
dinsdag 14 september 2010 voormiddag 11u30 - 13u00

De (on)draaglijke lichtheid van vroege psychose (II)

Voorzitter: Ludi Van Bouwel

S01.0 Inleiding
Ludi Van Bouwel
, psychiater, adjunct kliniekhoofd psychosesector, UPC KULeuven, campus Kortenberg
Jozef Peuskens, professor, hoofdgeneesheer, UPC KULeuven, campus Kortenberg
Marc De Hert, psychiater, UPC KULeuven, campus Kortenberg
Ruud van Winkel, Hella Demunter, Liesbeth De Coster, Lut De Rijdt, Ludi Van Bouwel, Inez Heleven, allen werkzaam in UPC KULeuven, campus Kortenberg
Tijdens het vierde Vlaams Geestelijk Gezondheidscongres in september2008 te Antwerpen reflecteerden drie centra in Vlaanderen (met name UPCKULeuven, campus Kortenberg in samenwerking met CGG Vlaams-Brabant Oost;CGG Ahasverus met hun VDIP-pilootproject in Halle-Vilvoorde; CGGAndante) over het thema ‘vroege psychose’. Sindsdien hebben deze drie centra vroege psychose-projecten concreet gerealiseerd mede dank zij de VDIP-subsidie door de Vlaamse overheid. Ook in de regio Sint-Niklaas en Brugge zijn dergelijke projecten van start gegaan.
Dit symposium dat georganiseerd wordt door UPC KULeuven, campus Kortenberg in samenwerking met de regionale VDIP-projecten heeft als doel een aantal inhoudelijke vragen te stellen rond vroege detectie en snelle interventie van vroege psychose. Het is een multicentrisch symposium waarin het belang van samenwerking, interdisciplinariteit, transmurale zorg en de eigenheid van elk project aan bod zullen komen.

S01.1 Stigma en preventie
Eric Stijnen
, directie-coördinatie project, VDIP Vlaanderen
Wat is stigma in geestelijke gezondheidszorg? Schizofrenie en psychose roepen sterke beelden en emoties op. Voor de meeste mensen is het een wit-zwart beleving.
VDIP-teams zijn ontstaan vanuit de opdracht van Preventie Gezondheid Vlaanderen. Hun missie is om de focus op de Ultra Hoog Risicogroep (UHR)mee op te nemen in de benadering. De buitenlandse projecten voor vroege interventie zijn doorgaans gestart vanuit de doelgroep eerste psychose.De detectieteams werden meestal in een latere fase gestart in een afzonderlijk team. Sommige onderzoekers waarschuwen voor onnodige stigmatisering van een grote groep kwetsbare jongeren, die wel UHR zijn,maar niet evolueren naar een psychose.
Wat leren we van andere ziektebeelden en hun beleving in de samenleving?Hoe zijn deze beelden geëvolueerd? Hoe wordt een spectrumbeleving gecreëerd en heeft dit andere nadelige neveneffecten. Welke rol spelen VDIP-teams in dit maatschappelijk proces?


S01.2 De (on)draaglijke complexiteit van vroegdetectie bij jongeren. Overwegingen na een half jaar sensibiliseren in Antwerpen
Ellen De Loore
, VDIP Antwerpen
Geert Vandendriessche, VDIP Antwerpen
We stelden ons als doel de alertheid rond psychose te vergroten bij hulpverleners die actief zijn op de eerste lijn en te maken krijgen met jongeren die hulp zoeken rond diverse zaken.
Die alertheid rond psychose installeren deden we door diverse voorzieningen op de eerste lijn te bezoeken en te informeren over psychose, over de vroege herkenning van psychotische symptomen en over psychotische kwetsbaarheid (o.a. met de checklist psychoserisico).
Naarmate we in deze opdracht vorderden werden we geconfronteerd met de complexiteit van de boodschap die we brachten op de eerste lijn: we vroegen om alert te zijn voor psychotische symptomen maar ook om niet te snel verontrust te zijn.
Hulpverleners op de eerste lijn zijn vaak snel gealarmeerd door zaken die zich in de hoek van de positieve symptomen situeren. Ze zien nog nauwelijks dat dergelijke zaken ook binnen een ontwikkelingsfase kunnen passen. Onderzoek bij gezonde scholieren in Nederlands Limburg toont dat psychotische beleving frequent voorkomt (20%) en niet tot problemenleidt.
Binnen onze recent opgestarte praktijk merken we dat (hoog risico op)psychose detecteren moeilijker wordt naarmate de leeftijd lager ligt.


S01.3 VDIP: Beëindiging van de zorg
Toon Derison
, VDIP Halle-Vilvoorde
Eric Stijnen, master,directie-coördinatie project, VDIP Vlaanderen
VDIP voorziet standaard een opvolging van drie jaar. In onze groep mensen met een hoog risico op een psychose zien we dat deze soms al na enkele maanden geen hinder meer hebben.
In de groep mensen met een eerste psychose stelt men een periode van vijf jaar als kritieke periode. Bij niet adequaat behandelen na een psychose bedraagt herval twee op drie. Het risico op suïcide is in deze periode hoog.
Hoe ga je als VDIP-team om met deze verschillende snelheden? Kan het vooropstellen van een bepaalde periode een positief argument zijn? Hoe bewaak je een evenwicht tussen instroom en uitstroom?
Een VDIP-medewerker investeert veel tijd en energie in een cliënt, er ontstaat een hechte band en net nu het goed gaat, moet de zorg beëindigd worden, hoe vang je dit best op?


S01.4 Staging en aging binnen VRINT – VDIP Leuven: ‘clinical staging’ indialoog met de adolescentaire ontwikkelingsfase en het belang van de bijdrage van jeugdpsychiatrie
Catherine Klockaerts
, UPC KULeuven, campus Kortenberg i.s.m. VDIP Vlaanderen

VRINT startte haar klinisch werk op 05/01/2009 vanuit het UPC te Kortenberg. Sinds 01/09/2009 werkt VRINT met collega’s uit verschillende centra samen vanuit een rijhuis in Leuven: hulpverleners uit jeugd- en volwassenenpsychiatrie met initieel specialisaties in intra-, trans- of extramurale zorg vormen een interdisciplinair team.
Psychosen ontstaan rond het 14e-30e levensjaar: de adolescentaire fase.Waar vroegdetectie en -interventie aanvankelijk gefocust waren op verkorting van de DOP (Duur Onbehandelde Psychose), ligt de focus nu op de fase ervoor: de ARMS (At Risk Mental State). Het detecteren van milde psychotische klachten (ARMS) bij hulpzoekende jongeren en het reeds aanbieden van zorg in die fase, zijn minder ingrijpend dan de zorg die geboden moet worden als een psychose is doorgebroken. Dit is een vorm van geïndiceerde preventie.
Dit fase specifiek interveniëren wordt beschreven in het ‘clinical staging model’, al langer toegepast in de somatische geneeskunde:screenen en behandelen van risicosymptomen om erger te voorkomen. Naast‘clinical staging’ zijn de ontwikkelingsfase en de kennis hierover belangrijk om contact te kunnen leggen en houden met jongeren en hun familieleden.
De samenwerking in 1 team van jeugd- en volwassenenpsychiatrie – met ieders deskundigheid inzake psychopathologie – ondersteunt de visie dat het noodzakelijk is continuïteit van zorg te waarborgen over de grens van 18 jaar heen.


S01.5 De kip of het ei … Psychose en problematisch middelengebruik binnen vroegdetectie en –interventie
Bart Peleman
, VDIP Sint-Niklaas

Binnen ons regionaal VDIP-project constateren we dat een grote groep van cliënten naast hun psychotische klachten ook middelen gebruiken of misbruiken. Elk van hen kijkt vanuit een persoonlijke invalshoek naar eigen gebruik. Redenen zoals zelfmedicatie, relaxatiemiddel, het behoren tot een peergroup, etc. … verantwoorden voor hen verder gebruik.
Bij een beperkte groep van cliënten zorgt frequent gebruik voor extra problemen op één of meerdere levensdomeinen. Hier kan sprake zijn van afhankelijkheid. In welke mate interfereert dit met de behandeling op vlak van psychose?
Vanuit onze vraaggestuurde houding dreigen we soms vast te lopen op het gegeven dat de cliënt wel ondersteuning wenst op het vlak van zijn/haar psychotische belevingen, maar binnen de ambulante zorg niets kan of wil veranderen op vlak van middelengebruik. In hoeverre vormt dit een extra hindernis?
Dient één van beiden voorrang te krijgen? Cliënten kunnen niet steeds het verloop van hun klachtenpatroon op een correcte manier weergeven waardoor het voor de hulpverlener vaak gissen (en missen) blijft. Druggeïnduceerde psychose ? Gebruik als eigen therapie? Multiple problematiek? Elk met zijn specifieke accenten qua behandeling.
- Belemmert de psychose de vooropgestelde methodieken binnen verslavingszorg en omgekeerd?
- Kunnen we hierin een aantal lijnen uitzetten binnen de Vlaamse VDIP-werking?
- UHR en middelengebruik! Bestaat er een nood aan verdere afstemming?
 

Symposium 2
dinsdag 14 september 2010 voormiddag 11u30 - 13u00

Van het Amerikaanse ‘recovery’ tot het Vlaamse ‘herstel’

Voorzitter: Stephan De Bruyne


S02.0 Inleiding
Stephan De Bruyne
, beleidspsychiater, PC Sint-Hiëronymus, Sint-Niklaas
In en rond het psychiatrisch centrum Sint-Hiëronymus werd in de loop van de voorbije tien jaar een zorgprogramma uitgebouwd dat aansluit bij de veelomvattende noden van mensen met psychotische kwetsbaarheid. In een eerste bijdrage beschrijven we onze eigen visie op herstel waarbij zingeving en spiritualiteit een belangrijke plaats innemen. Daarna belichten we de totstandkoming van dit zorgprogramma, welke de voornaamste componenten ervan zijn en hoe we herstelpincipes consequent in de praktijk proberen te brengen. In het gehele programma proberen we goede behandeling te laten samengaan met herstelgerichte zorg.Herstelgerichte zorg spoort cliënten aan om op eigen krachten hun problemen te boven te komen. Nieuwe gedragstherapeutische benaderingen zoals Acceptance and Commitment Therapy doen eveneens beroep op de‘gezonde krachten’ bij cliënten. In een derde bijdrage tonen we aan hoe beide benaderingen in de praktijk worden gebracht en elkaar positief beïnvloeden.


S02.1 Een eigen visie op herstel en zingeving
Mieke Van Steelandt
, stafmedewerker ethiek, PC Sint-Hiëronymus, Sint-Niklaas
Stefaan Baeten, algemeen directeur, PC Sint-Hiëronymus, Sint-Niklaas
Stephan De Bruyne, beleidspsychiater, PC Sint-Hiëronymus, Sint-Niklaas

De rehabilitatieliteratuur belicht de herstelvisie sterk vanuit het Amerikaanse optimistische vooruitgangsdenken. Deze visie hebben we in het psychiatrisch centrum gekoppeld aan een visie op zingeving. We zien het spreken met cliënten over zingeving en spiritualiteit als een belangrijke bevorderende factor bij het tot stand komen van een duurzaam herstel. Naast het bespreken van wensen van cliënten op het vlak van wonen en werken komen in de dagelijkse gesprekken ook thema’s aan de orde zoals levensbeschouwing en de waarden die cliënten in hun leven belangrijk vinden. In deze bijdrage beschrijven we hoe we dit in de praktijk brengen.


S02.2 Herstelgerichte zorg in de praktijk
Marjolein De Ceulaer
, PC Sint-Hiëronymus, Sint-Niklaas
Alda Verbeek, hoofd vaktherapieën, PC Sint-Hiëronymus, Sint-Niklaas
Guido Lissens, therapeutisch directeur, PC Sint-Hiëronymus, Sint-Niklaas
Sara Devos, PC Sint-Hiëronymus, Sint-Niklaas
De x-factor van het zorgnetwerk is de grote aandacht die uitgaat naar herstel. Dit concretiseert zich in zorgorganisatorische én in zorginhoudelijke ingrepen in het gehele zorgnetwerk. In deze tweede bijdrage tonen we aan welke de uitdagingen hierbij zijn, hoe aan de basishouding en de methodiek van medewerkers kan gesleuteld worden en welke belangrijke rol de stafmedewerker rehabilitatie speelt om rehabilitatie als ‘beweging’ op gang te houden. Werken aan zingevingsvragen is een belangrijk onderdeel van herstelgerichte zorg.We tonen in deze bijdrage aan hoe we dit belangrijke aspect integreren in onze dagelijkse werking.


S02.3 Acceptance and Commitment Therapy en herstelgerichte zorg
Joris Corthouts
, psycholoog, PC Sint-Hiëronymus, Sint-Niklaas
De laatste tien jaar is Acceptance and Commitment Therapy (ACT) bezig aan een opmars in de gedragstherapie. De behandeling beoogt niet zozeer symptoomreductie maar focust eerder op het aanvaarden van het leven zoals het is. Cliënten zijn na afloop beter in staat om hun symptomen een plaats te geven in hun leven en hun algemeen welbevinden verbetert.Deze benadering heeft reeds zijn nut bewezen bij verschillende psychische problemen zoals angst- en stemmingsstoornissen. De toepassing ervan bij personen met psychotische kwetsbaarheid is zeker niet evident.
In deze bijdrage geven we kort een omschrijving van ACT. Nadien tonen we aan hoe we deze benadering hebben geïntroduceerd in de residentiële en semi-residentiële behandeling en hoe deze samengaat met herstelgerichte zorg.

 

Symposium 3
dinsdag 14 september 2010 voormiddag 11u30 - 13u00

Klinkt de muziek anders? Klinische toepassingen van muziektherapie binnen het UPC KULeuven, campus Kortenberg

Voorzitter: Jos De Backer

S03.0 Inleiding
Jos De Backer
, master in muziektherapie, prof. dr., diensthoofd, UPC KULeuven, campus Kortenberg

Toepassingen van muziektherapie bij de verschillende doelgroepen van het Universitair Psychiatrisch Centrum Kortenberg; bij adolescenten,persoonlijkheidsstoornissen, psychotische stoornissen en dementie.Vanuit de klinische muziektherapeutische praktijk wordt door de verschillende muziektherapeuten gefocust op de eigenheid en specificiteit van elke doelgroep; op dat wat ons onderscheidt én ons verbindt.


S03.1 "Twee meisjes…", over muziektherapie en het onwillig adolescentaire lichaam
Sofie Vandereyken
, muziektherapeut de kade, voorzitter beroepsvereniging voor muziektherapeuten (BMT), UPC KULeuven, campus Kortenberg
Het improviseren is niet zo evident voor jongeren. Het muzikale spel verwijst naar een, vaak beladen, kindertijd die ze aan ’t ontgroeien zijn. Hun muziek is datgene waarmee zij zich identificeren en is daar om bittere ernst. Improvisatie moet vermeden worden uit angst voor datgene wat oncontroleerbaar zou kunnen klinken.
De titel van deze voordracht verwijst naar een lied van de Vlaamse zanger R. Van ’t Groenewoud. Het is een melodische, rustige en beschouwende ballade, waarin hij beschrijft hoe twee adolescente meisjes op het strand liggen, bladeren in modeblaadjes, wuiven naar een vriend…Het lied suggereert jeugd, zelfvertrouwen en een belofte van later.
De twee meisjes uit deze casus beantwoorden niet aan de rust en de schoonheid die het lied oproept. Beide meisjes zijn opgenomen op De Kade, een psychoanalytisch georiënteerde residentiële afdeling voor adolescenten, in het UPC KULeuven, campus Kortenberg.
Zij verblijven in een behandelgroep voor jongeren die, naast groepstherapie, nood hebben aan veel individuele ondersteuning. Hun verbale en therapeutische mogelijkheden lijken bij aanvang beperkt. Zij vertonen beiden ernstige gedragsproblemen, zijn verbaal en fysiek agressief en een dreigende borderline-persoonlijkheidsstoornis wordt vermoed.
In de casus wordt, aan de hand van muziekfragmenten, beschreven hoe elk van hen in de muziektherapie, via ageren en soms op een bruuske manier,haar eigen weg vindt. In de improvisaties en andere muziek klinkt hun zoektocht. De casus verhaalt hun tumultueus, agerend muziektherapeutisch proces, gekaderd in de multidisciplinaire aanpak van de afdeling. Of:hoe de muziek vorm en structuur kan bieden en hun impulsiviteit en onwillig lichaam kan begrenzen.



S03.2 Muziek, improvisatie en psychose
Erica Bourgois
, muziektherapeute, UPC KULeuven, campus Kortenberg
Jos De Backer, master in muziektherapie, prof. dr., diensthoofd, UPC KULeuven, campus Kortenberg
Kenmerkend voor de muziektherapeutische praktijk met psychotische patiënten is het chaotische, gefragmenteerde muzikale spel. Een ander specifiek spel zijn de regelmatig terugkerende muzikale patronen in het muzikale spel van deze patiënten. Veel psychotische patiënten tenderen in hun muzikale improvisaties naar een eindeloos repetitief spel van bepaalde ritmes of melodische sequenties, waarbij men kan spreken vaneen soort muzikale rocking (sensorieel spel).
Onderzoek en klinische praktijk toont aan dat muziektherapie bij psychotische patiënten een bijdrage kan leveren tot het creëren van een psychische ruimte en aldus een symboliseringsproces ondersteunt.Essentieel in dit proces is de transformatie, via het ontdekken van de muzikale vorm, van het sensoriële spel tot een integreerbare ervaring.De verschillende modaliteiten in de muzikale improvisaties verduidelijken wij aan de hand van audio- en videofragmenten. Daarnaast bespreken wij muzikale en therapeutische interventies die noodzakelijk zijn om een therapeutisch proces op gang te brengen..


S03.3 Het belang van de muzikale improvisatie voor de ontwikkeling vaneen therapeutische relatie in de muziektherapie met dementerenden
Anke Coomans
, muziektherapeute, docent muziektherapie, Hogeschool voor wetenschap & kunst, campus Lemmensinstituut; doctorale studies muziektherapie Universiteit Aalborg (Denemarken), afdeling ouderenpsychiatrie, UPC KULeuven, campus Kortenberg
Vertrekkende vanuit een aantal korte, maar sprekende casusfragmenten uit haar muziektherapeutische werk met personen met dementie, tracht de spreker te schetsen hoe zij er door enkele bijzondere ervaringen toe werd aangezet om onderzoek te verrichten op dit domein. De drie belangrijkste componenten van haar onderzoek zijn: dementie,improvisatie en therapeutische relatie worden afzonderlijk bekeken om uiteindelijk in een synthese de voorstelling van het eigenlijke onderzoek in te leiden.
Vooral de niet-deficitaire kant van het dement-zijn wordt belicht,waarbij het affect in zijn meest pure, maar vooral ook ongeschonden vorm gepresenteerd mag worden. Veel aandacht gaat uit naar de manier waarop de muzikale improvisatie de therapeut toelaat om hier getuige van te zijn. Dit ‘in-resonantie-treden’ wordt één van de belangrijkstefenomenen binnen het voorgestelde onderzoek.


S03.4 De ondraaglijke nutteloosheid van de muzikale improvisatie
Mieke Van Uytvanck
, muziektherapeute, UPC KULeuven, campus Kortenberg
Binnen het werken als muziektherapeut op een psychotherapeutische afdeling voor persoonlijkheidsproblemen stellen patiënten regelmatig de vraag naar het therapeutische van de muzikale improvisaties. Het abstracte karakter van de muziek houdt in dat ze in se nutteloos is. Ze situeert zich op het niveau van het lichamelijke. Dit lichamelijke niveau is hetzelfde waarin veel symptomen van persoonlijkheidsstoornissen verschijnen. Het weerstandskarakter dat ontstaat door op een rationaliserende manier te spreken over de muzikale improvisaties wordt versterkt door de problematische verhouding met hun lichaam, die vele patiënten met persoonlijkheidsproblemen hebben.
De gevalstudie over Nora, een vrouw met een borderlineproblematiek,vertelt het individuele muziektherapeutische proces binnen de groepsmuziektherapie. Bij aanvang is Nora geïnhibeerd om te musiceren en kan ze de idee niet loslaten dat muzikale improvisaties haarbehandeling geen concreet nut bijbrengen. Geleidelijk aan wordt Nora wel geaffecteerd door haar muzikale creaties en kan ze de weerstand die ze aanvankelijk ervaart meer relateren met haar eigen binnenwereld.Hierdoor kan een therapeutisch proces op gang gebracht worden.

 

Symposium 4
dinsdag 14 september 2010 voormiddag 11u30 - 13u00

Efficiënt managen van behandeling: Tool voor Uitkomstenmanagement (TUM)

Voorzitter: Jan Van Speybroeck

S04.0 Inleiding
Jan Van Speybroeck
, directeur, Vlaamse Vereniging voor Geestelijke Gezondheid, Gent
Stefaan Baert, stafmedewerker, Vlaamse Vereniging voor Geestelijke Gezondheid, Gent
Er is in Vlaanderen een groeiende nood aan een gebruiksvriendelijk instrument om behandelresultaten in kaart te brengen. De web-based Tool voor Uitkomstenmanagement (TUM) meet verschillende aspecten van behandeluitkomsten. De TUM maakt een eerste analyse op behandelniveau.
Dit symposium belicht de ontwikkeling, de eerste ervaringen met de TUM,met de klemtoon op het geven van feedback naar de cliënt. Er wordt afgesloten met een algemene discussie.


S04.1 Ontwikkeling van de Tool voor Uitkomstenmanagement (TUM)
Stefaan Baert
, stafmedewerker, Vlaamse Vereniging voor Geestelijke Gezondheid, Gent
Achtergrond
Grosso modo zijn er twee belangrijke redenen waarom elke hulpverlener opeen objectieve en wetenschappelijk onderbouwde manier de resultaten van alle behandelingen in kaart zou moeten brengen. Ten eerste, het geven van feedback aan cliënten heeft een positief effect op het behandelresultaat. Ten tweede, hulpverleners zijn sterk in het detecteren van behandelingen die goed lopen, maar niet sterk in het detecteren van behandelingen die dreigen vast te lopen. Bestaande meetinstrumenten kunnen verschillende behandelaspecten meten, zoals symptomatologie, functioneren, tevredenheid of therapeutische relatie.Er bestaat echter geen globaal meetinstrument om deze vier behandelaspecten samen en op een tijdsefficiënte manier in kaart te brengen.
Doelstelling
Vanuit deze nood ontwikkelde de Vlaamse Vereniging voor Geestelijke Gezondheid een web-based, multidimenioneel meetinstrument.
Methode
Voor elk van bovenstaande behandelaspecten werd één vragenlijst geselecteerd. De subschalen van deze vier vragenlijsten werden vertaald in één visueel analoge schaal. De Tool voor Uitkomstenmanagement (TUM)bestaat uit 14 visueel analoge schalen en wordt momenteel gevalideerd.
Conclusie
Als feedbackinstrument brengt de TUM veranderingen van cliënten op vlak van behandelresultaten en therapeutisch proces in kaart. Het geven van feedback laat toe om snel het effect van de behandeling in te schatten,en dit bij te sturen waar nodig.


S04.2 Feedback als een continu proces binnen therapie: illustratie aan de hand van oplossingsgericht werken in een centrum voor geestelijke gezondheidszorg
Tine Vandenbroucke
, klinisch psycholoog, CGG Mandel en Leie, vestigingsplaats Kortrijk
Inleiding
Het geven van feedback aan cliënten heeft een positief effect op het behandelresultaat. In deze bijdrage wordt een illustratie gegeven vaneen oplossingsgerichte manier van werken binnen een cgg, waarbij feedback van en naar de patiënt een rode draad is doorheen de therapie.
Onderliggende visie
Oplossingsgerichte therapie stelt dat de efficiëntie van de therapie een samenwerkende vennootschap is, een gezamenlijke verantwoordelijkheid van therapeut en patiënt. Het is een continu proces van feedback vragen en geven naar de cliënt, waardoor de therapeut de cliënt op een heel intense manier responsabiliseert en respectvol benadert. De patiënt is de deskundige op vlak van inhoud, de therapeut is de deskundige op vlak van het proces. Het therapeutische mandaat (therapeutische relatie) dat men heeft, wordt continu afgetoetst. Participatie van de patiënt in het ganse therapeutisch proces staat centraal.
Feedback in therapie
Aan de hand van casuïstiek wordt getoond hoe via oplossingsgerichte vragen feedback een rode draad vormt doorheen de therapie: van bij het bepalen van de inhoud van de sessie, het formuleren van de behandeldoelstellingen en daaraan verbonden het gebruik van schaalvragen, het communiceren over het behandelplan, het evalueren van behandelresultaten (vordering m.b.t. doelstellingen), het aftoetsen van het therapeutische contact, evolutiebespreking, communicatie met het team en verwijzers, ... tot aan het afronden van therapie.


S04.3 Uitkomstenmanagement in het kinderteam: een proces in wording
Katrien Van Loon
, teamcoördinator kinderen- en jongerenteam, VGGZ, Hasselt
Leen Dewael, psycholoog, VGGZ, Hasselt
Weegt de tijdsinvestering op tegen de inhoudelijke opbrengst? Wordt de therapeut aangesproken op behaalde resultaten?... Het zijn maar enkele van de vele vragen die uitkomstenmanagement oproept op de werkvloer.Hoewel uit recente publicaties het positieve effect van uitkomstenmetingen blijkt, roept de concrete implementatie ervan in eerste instantie toch wat weerstand op bij de hulpverleners. Na een traditie van de gesloten therapieruimte moeten we de deur open zetten voor een als buitenaards ervaren indringer: ET in therapie. Onbekend maakt onbemind, maar hoe kunnen we onze vooroordelen aan de kant zetten?Hoe kunnen we van ET = 'buitenaards' komen tot ET = Efficiënt en Toepasbaar?
Aangezien we als therapeuten de kwaliteit van ons zorgaanbod willen optimaliseren, kunnen we de wetenschappelijke bevindingen niet zomaar negeren. De vraag is dus niet ‘Doen we aan uitkomstenmanagement’ maar wel ‘HOE doen we het?’.
Binnen het kinderteam van ons cgg pogen we de therapeutische vrijheid,de emancipatie van de cliënt en het objectieve meten met elkaar te verzoenen. Vertrekkende vanuit het geboden kader, proberen we dit in een werkgroep vorm te geven, uit te proberen en te concretiseren in een win-win resultaat voor cliënt en hulpverlener.


S04.4 Uitkomstenmanagement op behandelniveau: therapeutisch instrument
Wannes Rambour
, psycholoog, CGGZ Noord West-Vlaanderen, Brugge
In de literatuur en vanuit het beleid wordt meer en meer aandacht besteed aan de quantificeerbaarheid en de kwaliteitsbevordering van de hulpverlening. Er wordt verwacht dat men als hulpverlener een antwoord probeert te formuleren op volgende vragen: Maakt mijn cliëntvorderingen? Op welk vlak maakt mijn cliënt vorderingen? Hierbij kan uitkomstenmanagement een belangrijke therapeutische meerwaarde  betekenen.
We vertrekken vanuit het onderscheid tussen het meten van uitkomsten en psychodiagnostisch onderzoek. We gaan dieper in op de kansen, de valkuilen en de praktische implementatie van een systeem voor uitkomstenmanagement binnen de behandeling en de link met het behandelplan. Dit vanuit de eerste ervaringen binnen het Centrum Geestelijke Gezondheidszorg Noord West-Vlaanderen.


S04.5 Zijn hulpverleners gemotiveerd om behandeluitkomsten te meten?
Stefaan Baert
, stafmedewerker, Vlaamse Vereniging voor Geestelijke Gezondheid, Gent
Indien we hulpverleners blijvend willen motiveren om op een systematische manier feedback geven te geven aan cliënten, dan moeten we eendraagvlak creëren voor de Tool voor Uitkomstenmanagement (TUM). De Vlaamse Vereniging voor Geestelijke Gezondheid (VVGG) bewerkte de Clinician Readiness for Measuring Outcomes Scale (CRMOS), met als doelhulpverleners beter te kunnen begeleiden in hun veranderingsproces. De CRMOS, gebaseerd op het transtheoretische model van verandering van Prochaska en Diclemente, geeft niet alleen informatie over de motivatie van hulpverleners om de TUM toe te passen, maar helpt ons ook om hen hierin te begeleiden en te ondersteunen.
In deze bijdrage komen drie soorten hulpverleners aan bod: a) niet gemotiveerde hulpverleners, b) gemotiveerde hulverleners die niet tot actie komen, en c) hulpverleners die reeds de TUM gebruiken. Onze benaderingswijze van deze drie hulpverleners is telkens anders: a)informeren over de voordelen van het meten van behandeluitkomsten, b) demonstreren hoe de TUM werkt, en c) aanreiken van good-practices over het geven van feedback.

 

Symposium 5
dinsdag 14 september 2010 voormiddag 11u30 - 13u00

Nieuwe wegen in het onderzoek naar de Aandachtstekortstoornis met Hyperactiviteit (ADHD): implicaties voor theorievorming, diagnostiek en behandeling

Voorzitter: Dieter Baeyens


S05.0 Inleiding
Dieter Baeyens
, doctor in de psychologische wetenschappen,Departement Toegepaste Psychologie, Lessius Hogeschool Antwerpen,Associatie Katholieke Universiteit Leuven
De Aandachtstekortstoornis met Hyperactiviteit (ADHD) is één van de meest bestudeerde psychiatrische stoornissen. De theorievorming,diagnostiek en behandeling mag dan al veelvuldig beschreven zijn, toch wordt het wetenschappelijk onderzoek naar ADHD gekenmerkt door een tweetal lacunes. Ten eerste is het gros van onze huidige kennis beperkt tot de kindertijd en de adolescentie. Hoewel de persoon met ADHD potentieel kenmerken en beperkingen doorheen de hele levensloop vertoont, zijn de meeste, actuele inzichten niet getoetst op peuters,kleuters en (jong)volwassenen. Ten tweede lijken de bestaande theoretische modellen van ADHD nooit alle kenmerken van de stoornis te verklaren. Nieuwe theoretische en methodologische premissen lijken noodzakelijk om de diagnostiek en behandeling van ADHD te versterken.
In dit symposium beogen we dan ook de huidige kennis rond ADHD te verbreden en te verdiepen. In het verbredend pad willen we de validiteit van ADHD en de bijhorende diagnostische criteria nagaan in de voorschoolse periode (Dr. Tremmery) en de (jong)volwassenheid (Dr.Baeyens). In het verdiepend pad worden bestaande (neuro)psychologische modellen van ADHD enerzijds aangevuld met en genuanceerd door de invloed van circadiane processen (Dr. Imeraj) en anderzijds getoetst op hun therapeutische waarde (Dr. Lemiere).


S05.1 ADHD en kleuters: Zijn vroegdiagnostiek en behandeling op jonge leeftijd mogelijk?
Bie Tremmery
, kinder- en jeugdpsychiater, systeemtherapeut, MPI De Oase, Gent, UPC KULeuven, campus Kortenberg
Volgens het diagnostisch classificatiesysteem DSM-IV-TR wordt de diagnose ADHD alleen gesteld bij kinderen en adolescenten. Het is inmiddels duidelijk dat ADHD ook vóór en na deze leeftijd aanwezig is.Epidemiologisch onderzoek wijst uit dat de ADHD-symptomen bij de meeste kinderen al op te merken zijn vanaf 14 maanden. Meer nog,gedragsstoornissen op kleuterleeftijd zijn stabiel en niet voorbijgaand:80 procent van de ADHD-symptomen in de kleuterleeftijd persisteert inde kindertijd. Wanneer we echter de diagnose bij kleuters stellen,worden we - gezien de leeftijds specificiteit van de diagnostische criteria - al snel geconfronteerd met de moeilijke en onduidelijke grens tussen normaal en afwijkend gedrag.
In deze bijdrage wordt dieper ingegaan op het klinisch beeld, de diagnostische criteria en de behandeling van ADHD bij kleuters.


S05.2 ADHD in de (jong)volwassenheid: onderzoek naar de validiteit van de huidige diagnostische criteria
Dieter Baeyens
, doctor in de psychologische wetenschappen,Departement Toegepaste Psychologie, Lessius Hogeschool Antwerpen,Associatie Katholieke Universiteit Leuven
Lotte Van Dyck, master in de klinische psychologie, Departement Toegepaste Psychologie, Lessius Hogeschool Antwerpen, Associatie Katholieke Universiteit Leuven
De Aandachtstekortstoornis met Hyperactiviteit (ADHD) kent een levenslang verloop. De prevalentiecijfers in de (jong)volwassenheid variëren tussen één en vijf procent. Niettegenstaande is ADHD in deze leeftijdscategorie weinig gekend en de bijhorende diagnostiek nauwelijks of niet gemotiveerd. Twee oorzaken liggen hiervan aan de basis.Enerzijds oogt de symptomatologie bij (jong)volwassenen met ADHD complexen heeft ze vaak een impact op vele levensdomeinen. Anderzijds verwijzen de diagnostische criteria van ADHD in DSM-IV TR primair naar de kindertijd en zijn de gedragsbeschrijvingen weinig representatief voor de (jong)volwassenheid.
In deze bijdrage stellen we ons tot doel om 1) de huidige diagnostische criteria voor ADHD op hun validiteit te toetsen voor een (jong)volwassen populatie en 2) suggesties te formuleren voor een valide en betrouwbare diagnostiek van ADHD in de (jong)volwassenheid. We baseren ons hiervoor op de resultaten van eigen Vlaams normerings- en valideringsonderzoek van een ADHD-screeningsinstrument voor 16-25 jarigen (n=1000).


S05.3 Circadiaanse kenmerken bij kinderen en jongeren met ADHD
Lindita Imeraj
, doctor in de psychologische wetenschappen, Vakgroep Psychiatrie en Medische Psychologie, Universiteit Gent
Inge Antrop, doctor in de psychologische wetenschappen, Vakgroep Psychiatrie en Medische Psychologie, Universiteit Gent en Kinder-enjeugdpsychiatrie, UZ Gent
Dirk Deboutte, kinderpsychiater, Vakgroep Psychiatrie en Medische Psychologie, Universiteit Gent en Kinder- en jeugdpsychiatrie, UZ Gent
Herbert Roeyers, professor, Onderzoeksgroep Ontwikkelingsstoornissen, Universiteit Gent
Fluctuaties in de symptomatologie van ADHD worden in de theorievorming verklaard door variaties in de arousal toestand.Gedragsregulatieproblemen bij kinderen met ADHD worden hierbij immers gerelateerd aan lagere arousal levels. Arousal is echter niet alleen gevoelig voor contextuele factoren, maar ook t.a.v. een circadiaansritme. Tot op heden is het aantal studies naar de differentiële invloed van circadiaanse processen in ADHD echter zeer beperkt en zijn de resultaten niet consistent. Nochtans suggereren verschillende onderzoeksdomeinen circadiaanse verschillen bij ADHD: 1) Morningness-Eveningness chronotypologie, 2) tijdseffecten van gedrag en activiteit, 3) slaap/waak patronen, 4) circadiaanse ritmes in neuro-endocriene en fysiologische parameters.
Resultaten van eigen onderzoek naar verschillen in circadiaanse kenmerken bij kinderen en jongeren met ADHD worden voorgesteld.Enerzijds betreft het een grootschalige vragenlijstenstudie bij jongeren(12-18 jaar) in de algemene populatie met evaluatie van waak- en slaappatronen, psychopathologie en temperamentsfactoren. Anderzijds komt een ‘ecologische’ observatiestudie bij kinderen (6-12 jaar) met ADHD aan bod, met subjectieve evaluatie van waak- en slaappatronen en objectieve circadiaanse registratie van activiteit, fysiologische en endocriene parameters.


S05.4 Nieuwe therapeutische wegen voor ADHD? Een neuropsychologische invalshoek
Jurgen Lemiere
, doctor in de psychologische wetenschappen, Afdeling Psychiatrie, Universitair Ziekenhuis Leuven
Marina Danckaerts, kinder- en jeugdpsychiater, Afdeling Psychiatrie, Universitair Ziekenhuis Leuven
Recent onderzoek heeft aangetoond dat ADHD gekenmerkt wordt door verschillende, deels overlappende neuro-cognitieve profielen.Neuropsychologisch onderzoek tracht deze functionele basisdeficits bij ADHD te identificeren. De laatste jaren worden er ook pogingen ondernomen om te kijken of specifieke training van deze problemen resulteren in een verbetering van de symptomen van ADHD. Zo zijn er verschillende studies die suggereren dat werkgeheugentraining een positief effect heeft op de symptomatologie en cognitieve problemen bij kinderen met ADHD.
In deze bijdrage wordt een kritisch overzicht gegeven van de therapeutische waarde van de bestaande neuropsychologische trainingen voor kinderen en jongeren met ADHD, aangevuld met eigen onderzoeksgegevens.

 

Symposium 6
dinsdag 14 september 2010 voormiddag 11u30 - 13u00

Diversiteit in stemmingsstoornissen: klinische capita selecta
Voorzitter: : Filip Van Den Eede


S06.0 Inleiding
Filip Van Den Eede
, prof. dr., wnd. medisch coördinator dienst psychiatrie UZA
Stemmingsstoornissen vormen een heterogene groep. In dit symposium wordt de diversiteit geïllustreerd aan de hand van drie minder bekende capita selecta: de co-morbiditeit in de bipolaire stoornis, de postpartum depressie en de depressieve stoornis bij ouderen. Het symposium richt zich tot een brede groep van geïnteresseerde ggz-medewerkers. De mogelijkheid van een interactieve discussie wordt aan de deelnemers geboden.


S06.1 Co-morbiditeit bij bipolaire stoornissen
Roel Van Roy
, psychiater, OPZ Geel
Filip Van Den Eede, prof. dr., wnd. medisch coördinator dienst psychiatrie UZA
Christoph Kenis, specialist in opleiding radiologie, UZA Antwerpen
Karin Peeters, onderzoeksverpleegkundige, Departement Moleculaire Genetica, Universiteit Antwerpen
Bernard Sabbe, psychiater, professor, dr.UZA/CAPRI, Universiteit Antwerpen
Stephan Claes, psychiater, hoogleraar psychiatrie, UPC KULeuven, campus Leuven
Bipolaire stoornis is een ernstige en invaliderende psychiatrische aandoening. Talrijke studies tonen aan dat de co-morbiditeit met verscheidene somatische en psychiatrische aandoeningen sterk verhoogd is. Co-morbiditeit bij bipolaire stoornissen gaat gepaard met een vroeger ontstaan van de affectieve symptomen, het frequenter voorkomen van rapid cycling, meer ernstige stemmingsepisodes en tevens een ernstiger verloop in de tijd, een hoger suïciderisico, een verminderd psychosociaal functioneren en een verhoogde therapieresistentie.Voornamelijk angststoornissen (paniekstoornis, obsessief compulsievestoornis, sociale fobie) en aan middelen gebonden stoornissen komen hierbij frequent voor. Ondanks de verhoogde co-morbiditeit is er momenteel onvoldoende geweten over specifieke onderliggende genetische of pathofysiologische verklaringsmodellen en dient verder onderzoek te gebeuren naar werkzame psychotherapeutische en farmacologische behandelmogelijkheden in deze patiëntenpopulatie.

Referenties
Van Roy, R, e.a. (2010). Co-morbiede angststoornissen en stoornissen in alcoholgebruik in de bipolaire I stoornis: onderzoek in een Vlaamse populatie. Tijdschrift Voor Psychiatrie. Aanvaard ter publicatie
Merikangas, K.R., Akiskal, H.S., (2007). Lifetime and 12-Month Prevalence of Bipolar Spectrum Disorder in the National Comorbidity Survey Replication. Archives of General Psychiatry, 64, 543-552


S06.2 Psychologische risicofactoren voor postpartum depressie
Filip Raes
, docent, departement psychologie, KULeuven
Erik Franck,
Jorien Smets, doctoraatsstudent, Centrum voor Leerpsychologie en Experimentele Psychopathologie, Departement Psychologie, KULeuven
Yves Jacquemyn, diensthoofd / hoogleraar gynaecologie en verloskunde; UZA / UAntwerpen
D. Hermans, hoogleraar, Centrum voor Leerpsychologie en Experimentele Psychopathologie, Departement Psychologie, KULeuven
Filip Van Den Eede, prof. dr., wnd. medisch coördinator dienst psychiatrie UZA
Postpartum depressie is een onderschat maatschappelijk fenomeen.Prevalentiestudies schatten het risico op het ontstaan van een postpartum depressie op 10-15%. De symptomen kunnen aanslepen tot 1 jaar na de bevalling en worden geassocieerd met implicaties voor zowel moeder als kind. Er bestaat al heel wat onderzoek naar potentiële biologische, psychologische en sociale risicofactoren. In deze presentatie bieden we hiervan een overzicht alsook een advies naar mogelijke preventie en behandeling.

Referenties
Oppo, A, e.a. , (2009). Risk factors for postpartum depression: the roleof the Postpartum Depression Predictors Inventory-Revised (PDPI-R). Archives of Womens Mental Health, 12(4), 239-249
Austin, MP, e.a. , (2008). Brief antenatal cognitive behaviour therapygroup intervention for the prevention of postnatal depression and anxiety: A randomised controlled trial. Journal of Affective Disorders, 105, 35-44


S06.3 Depressie bij ouderen
Filip Van Den Eede
, prof. dr., wnd. medisch coördinator dienst psychiatrie UZA
Catherine Vanderhenst, psychiater, Bergen op Zoom, Nederland
Michel Vandewoude,
Paul Cosyns, psychiater, professor, dr. UZA/CAPRI, Universiteit Antwerpen
Bernard Sabbe, psychiater, professor, dr.UZA/CAPRI, Universiteit Antwerpen
De depressieve stoornis bij ouderen toont specifieke kenmerken en vergt een bijzondere aandacht. In deze bijdrage wordt er aan de hand van een casus dieper ingegaan op de klinische presentatie, de diagnostiek, de differentiaal diagnose en de etiopathogenese van de depressieve stoornis bij ouderen. Tot slot worden de behandelrichtlijnen besproken, waarbij de nadruk gelegd wordt op de farmacologische en psychotherapeutische interventies.

Referenties
C. Vanderhenst, e.a. (in voorbereiding). Depressieve stoornis bij ouderen: een update. Tijdschrift voor Geneeskunde
Alexopoulos G., (2005). Depression in the elderly. Lancet, 365, 1961-1970

 

Symposium 7
dinsdag 14 september 2010 voormiddag 11u30 - 13u00

Actuele thema's in de seksuologie

Voorzitter: Ilse Penne, seksuoloog, voorzitter, Vlaamse Vereniging voor Seksuologie, Leuven


S07.1 De therapeut met seksuele verlangens of seksuele taboe's
Ilse Penne
, seksuoloog, voorzitter, Vlaamse Vereniging voor Seksuologie, Leuven
Dat therapeuten tijdens de therapie allerlei gevoelens hebben ten opzichte van hun cliënten, betwijfelt niemand. Soms is hij/zij geboeid of geamuseerd door zijn cliënten. Soms ergert hij zich blauw en hoopt dat het niet opvalt.
Bij voorbeeld een therapeut die zich ongemakkelijk voelt als het over seks gaat, of walging voelt door de manier waarop een cliënt een seksueel onderwerp verwoordt. Het kan ook zijn dat de therapeut zeer graag over seks praat of seksuele verlangens voelt voor zijn cliënt.
De bijdrage biedt therapeutische handvatten om seksualiteit te spreken met cliënten én om emoties – aan de kant van de therapeut- te hanteren.


S07.2 Seksverslaving: symptoom van de dood van het verlangen?
Koen Baeten
, seksuoloog, Vlaamse Vereniging voor Seksuologie, Leuven
In deze bijdrage wens ik meer duidelijkheid te verschaffen over de term "seksverslaving" alsook een overzicht te presenteren van een multidisciplinaire benadering van dit fenomeen ten opzichte van de patiënt en diens omgeving, namelijk: de relatie en het gezin. Allereerst proberen we ons een beeld te vormen van wat er correct verstaan kan worden onder de term "seksverslaving". Hiervoor gaan we te rade in het DSM-IV-handboek, de wijsbegeerte, de biologie en de psychoanalyse.
Volgende vragen komen hierbij aan bod: kan seksverslaving louter neurobiologisch begrepen/behandeld worden? Wat leren we vanuit de wijsgerige reflectie over dit fenomeen? Op welke manier biedt de psychoanalyse inzichten en behandelkaders aan? Vervolgens trachten we een blik te werpen op de impact van de seksverslaafde op zijn/haarpartnerrelatie. Kan een relatie dergelijke verslaving aan? Blijft elke partner bij dit soort van patiënt en loopt de partner geen risico om zelf verslaafd te worden aan seks of andere middelen?
Uiteindelijk staan we stil bij de invloed van een seksverslaafde ouder op het gezin.


S07.3 Seksualisering van de samenleving
Ilse Penne
, seksuoloog, voorzitter, Vlaamse Vereniging voor Seksuologie, Leuven
Therapeuten en ouders maken zich soms zorgen over de seksualisering van de samenleving en het effect hiervan op (vooral) jongeren. Jongeren krijgen op jonge leeftijd heel wat expliciete seksuele beelden te zien en komen vroeg in aanraking met de excessen van seks. Meisjes zouden meer beïnvloed worden dan jongens. Kunnen we deze bezorgdheid onderbouwen met wetenschappelijk onderzoek? Heeft de gemiddelde jongeren ‘foutieve' verwachtingen t.o.v. van seks en leidt de huidige maatschappij tot nieuwe seksuele problemen?
Deze bijdrage biedt een overzicht van de onderzoeksgegevens hierover. (Het besluit is dat de toegankelijkheid van (extreme) porno vooral nadelige effecten heeft voor kwetsbare groepen.) Therapeutische adviezen voor ouders komen aan bod.

 

Symposium 8
dinsdag 14 september 2010 namiddag 14u00 - 15u30

Psychodiagnostiek van persoonlijkheidsstoornissen anno 2010: huidige inzichten en toekomstige uitdagingen
Voorzitter: Tim Bastiaens


S08.0 Inleiding
Tim Bastiaens
, klinisch psycholoog, adjunct-diensthoofd klinische psychodiagnostiek, UPC KULeuven, campus Kortenberg
De stand van zaken op het vlak van psychodiagnostiek van persoonlijkheidsstoornissen anno 2010 wordt toegelicht, met aandacht voor de empirische meerwaarde van een dimensionele benadering ten opzichte van een a-priori categoriale classificatie en de implicaties hiervan naar testmateriaal toe. We staan stil bij recente inzichten vanuit dynamische, cognitief-gedragstherapeutische en gecontextualiseerde hoek en formuleren ideeën over de mogelijkheid van een schooloverstijgend diagnostisch model. Vanuit onze eigen dagelijkse manier van werken bepleiten we een persoonlijkheidsdiagnostiek die in eerste instantie uitgaat van recente wetenschappelijke inzichten en die uit empirisch onderzoek relevant gebleken dimensies in kaart brengt, maar waarbij dit assessment kadert in een differentiaal diagnostisch proces verlopend volgens de empirische cyclus.
Het eindproduct van dit differentiaal diagnostisch proces wordt gevormd door een (zo goed mogelijk) getoetste probleemsamenhang, die alle relevante factoren van het functioneren van patiënt in kaart brengt en onderbouwde hypothesen formuleert over hoe de interactie tussen persoonlijkheids- en contextvariabelen bij dit specifiek individu op dit specifiek moment tot psychische klachten leidt.
We bespreken en illustreren de voordelen van deze manier van werken voor de indicatiestelling. Naar methodologie toe bepleiten en illustreren we een integratie van positief-wetenschappelijke methoden en hermeneutische strategieën om tot een zo goed mogelijk onderbouwde en therapierelevante probleemsamenhang te komen.


S08.1 Categoriale versus dimensionele benadering van persoonlijkheid
Tim Bastiaens
, klinisch psycholoog, adjunct-diensthoofd klinische psychodiagnostiek, UPC KULeuven, campus Kortenberg
Het huidige DSM IV As 2-systeem vertoont een aantal tekortkomingen opvlak van betrouwbaarheid en validiteit. Zo wordt er systematisch veel variantie teruggevonden binnen elke categoriale stoornis, is er veel overlap tussen categorieën, bevatten As 2-diagnoses weinig informatie over de mate van disfunctionaliteit en zijn zij niet in staat om het hele domein van persoonlijkheidspathologie treffend te omschrijven. Vergelijkend empirisch onderzoek toont duidelijk aan dat een dimensionele benadering van persoonlijkheid en persoonlijkheidspathologie te verkiezen is boven een categoriale typologie van persoonlijkheidsstoornissen. Empirisch onderzoek toont immers aan dat specifieke persoonlijkheidsstoornissen trekken (voorlopig) niet kunnen worden teruggevonden, dat de factorstructuur van persoonlijkheidstrekken in klinische en niet-klinische proefgroepen sterk congruent is, dat er in de mate van aanwezigheid van persoonlijkheidstrekken geen duidelijke cut-off scores kunnen gevonden worden om pathologie van normaliteit te onderscheiden en dat de kans op disfunctie toeneemt naarmate persoonlijkheidstrekken sterker aanwezig zijn. Dimensioneel assessment is psychometrisch superieur aan een categoriale werkwijze. We volgen Krueger (2007) in zijn suggestie voor DSM-V.
Met betrekking tot Krueger’s criterium A (‘persistent inability toestablish coherent and adaptive working models of the self and others, intimate relationships and activities, occupational relationships and activities’) gaan we in bijdrage 2 en 3 verder in op enkele ideeën rond de uitwerking hiervan vanuit dynamische en vanuit cognitief-gedragstherapeutische hoek.
Referenties
Krueger, R.F., Skodol, A.E., Livesley, W.J., Shrout, P.E., Huang, Y.(2007). Synthesizing dimensional and categorical approaches to personality disorders: refining the research agenda for DSM-V Axis II. Journal of Methods in Psychiatric Research, 16(2), S65-S73


S08.2 Operationalisatie van Krueger’s criterium A: ideeën vanuit dynamische hoek
Bart Vandeneede
, psycholoog, UPC KULeuven, campus Kortenberg
We stellen de vraag welke concepten vanuit een psychodynamische invalshoek een meerwaarde kunnen bieden aan het hierboven vermeld criterium A. Komen o.a. aan bod: de ‘persoonlijkheidsstructuur en -organisatie’ van Kernberg, de ‘persoonlijkheidsstijlen’ van SidneyBlatt, hedendaagse inzichten rond de capaciteit tot ‘mentaliseren’ (P.Fonagy).


S08.3 Operationalisatie van Krueger’s criterium A: ideeën vanuit gedragstherapeutische hoek
Adinda Houben
, UPC KULeuven, campus Kortenberg
De in criterium A vermelde moeilijkheid om coherente en flexibele werkmodellen op te bouwen over zichzelf en anderen, leidend tot moeilijkheden in intieme/beroepsmatige relaties en activiteiten, laat zich in het Moeilijke Mensen Model (Schacht, 2000) vertalen als een interactie tussen disfunctionele schema’s en disfunctionele copingstijlen. We bespreken deze disfunctionele schema’s en illustreren hoe manoeuvres die een individu stelt om hiermee om te gaan, kunnen leiden tot een bevestiging van de oorspronkelijke schema-inhouden (Schemaproces).
Referenties
Schacht R. & Peeters, R.(2000). Schemagerichte therapie voor moeilijke mensen. Leuven, Garant


S08.4 Operationalisatie van Krueger’s criterium A: contextfactoren
Tim Bastiaens
, klinisch psycholoog, adjunct-diensthoofd klinische psychodiagnostiek, UPC KULeuven, campus Kortenberg
Aansluitend bekijken we de rol van de sociale context in het mee aansturen, onderhouden, of veranderen van de in de vorige geschetste interactie tussen disfunctionele cognities en disfunctioneel gedrag. We staan stil bij de omstandigheden waarin psychische klachten op de voorgrond treden, en de mogelijke rol van verandering in omgevingsfactoren hierin. Daarbij illustreren we enkele mogelijke specifieke connotaties van zulke verandering in het licht van aanwezige persoonlijkheidsmoeilijkheden.


S08.5 Ideeën over synthese
Tim Bastiaens
, klinisch psycholoog, adjunct-diensthoofd klinische psychodiagnostiek, UPC KULeuven, campus Kortenberg
We leggen enkele van de geschetste ideeën vanuit dynamische hoek naast enkele van de geschetste ideeën vanuit gedragstherapeutische hoek en formuleren ideeën rond de mogelijkheid van een schooloverstijgend diagnostisch model voor persoonlijkheidspathologie. Vanuit onze eigendagelijkse manier van werken bepleiten we een persoonlijkheidsdiagnostiek die uitgaat van recente wetenschappelijke inzichten en die uit empirisch onderzoek relevant gebleken dimensies in kaart brengt, maar waarbij dit assessment kadert in een differentiaal diagnostisch proces verlopend volgens de empirische cyclus. Het eindproduct van dit differentiaal diagnostisch proces wordt gevormd door een (zo goed mogelijk) getoetste probleemsamenhang, die alle relevante factoren omtrent het functioneren van patiënt in kaart brengt en onderbouwde hypothesen formuleert over hoe de interactie tussen persoonlijkheids- en contextvariabelen bij dit specifiek individu op dit specifiek moment tot psychische klachten leidt.
We bespreken en illustreren de voordelen van deze manier van werken voor de indicatiestelling. Voor de methodologie bepleiten en illustreren we een integratie van positief-wetenschappelijke methoden en hermeneutische strategieën als meerwaarde om tot een zo goed mogelijk onderbouwde en therapierelevante probleemsamenhang te komen.

 

Symposium 9
dinsdag 14 september 2010 namiddag 14u00 - 15u30

Creatieve Therapie binnen een Vlaamse multidisciplinaire hulpverlening
voorzitter: Daan Van den Bossche

S09.0 Inleiding
Daan Van den Bossche
, dramatherapeut, lid algemene vergadering Belgische Vereniging voor Creatieve Therapie, d_Link, Ruimte voor Kind-en Gezinsbegeleiding, Deurne
Lieven Desomviele, docent, dramatherapeut, lid RVB Belgische Vereniging voor Creatieve Therapie, Arteveldehogeschool, Gent
Het symposium is opgebouwd uit twee delen. De eerste bijdrage gaat in op creatieve therapie en de toepassingsmogelijkheden. Het tweede deel is een casusbespreking aan de hand van videofragmenten.


S09.1 Creatieve therapie en de toepassingsmogelijkheden
Daan Van den Bossche
, dramatherapeut, lid algemene vergadering Belgische Vereniging voor Creatieve Therapie, d_Link, Ruimte voor Kind-en Gezinsbegeleiding, Deurne
Lieven Desomviele, docent, dramatherapeut, lid RVB Belgische Vereniging voor Creatieve Therapie, Arteveldehogeschool, Gent
De benaming ‘creatieve therapie’ overkoepelt de gespecialiseerde behandelvormen beeldende therapie, dans- en bewegingstherapie, dramatherapie en muziektherapie. Deze worden ingezet in de behandelingvan cliënten met psychosociale problemen en/of psychiatrische stoornissen waarbij het medium beeldend, dans, drama of muziek op een methodische wijze wordt ingezet.
Creatieve therapie is een handelings- en ervaringsgerichte vorm van therapie. De ervaring doet de cliënt op door te handelen in het medium, door het medium waar te nemen en (waar mogelijk) te reflecteren over de ervaringen in en naar aanleiding van het medium. Aan de hand van overeengekomen behandeldoelen werkt de creatief therapeut methodisch. Het resultaat van de therapie kan verwerking en inzicht zijn en/of ookverbetering van het cognitieve of lichamelijke functioneren of het psychische welzijn.
Beeldende therapie is een vorm van behandeling waarbij de ervaring van mensen ten behoeve van ontwikkelingsprocessen centraal staat. De beeldend therapeut hanteert het proces van beeldend vormen (tekenen,schilderen, beeldhouwen en andere beeldende vormen) en de zichtbare en tastbare beeldende producten die hieruit voortkomen, als middel binnen de therapeutische relatie.
Dans– en bewegingstherapie is het (psycho-) therapeutisch gebruiken van dans en beweging. Het is een therapievorm die zich baseert op de relatie tussen psyche (geest) en soma (lichaam). Het lichaam is het instrument en dans is het proces dat gebruikt wordt om integratie en groei te bevorderen.
Dramatherapie is een vorm van creatieve therapie die systematisch en doelgericht gebruik maakt van theater- en dramaprocessen en/of –producten. Hierdoor worden therapeutische doelstellingen bereikt zoals symptoomvermindering, stabiliseren of verbeteren van het emotionele en psychische evenwicht en bevorderen van persoonlijke groei. Dramatherapie is een actieve en experimentele benadering die de mogelijkheid biedt aan de cliënt: zijn of haar verhaal te vertellen, problemen op te lossen, persoonlijke doelstellingen te ontwikkelen, gevoelens op een gepaste manier te (leren) uiten, catharsis laten optreden, ….
Muziektherapie is een methodische vorm van hulpverlening waarbij muzikale middelen binnen een therapeutische relatie gehanteerd worden om verandering, ontwikkeling, stabilisatie of acceptatie te bewerkstelligen op emotioneel, gedragsmatig, cognitief, sociaal of lichamelijk gebied.
Referenties
www.bvct-abat.be/wat-is-creatieve-therapie/


S09.2 De creatief therapeutische driehoek, een casusbespreking
Daan Van den Bossche
, dramatherapeut, lid algemene vergadering Belgische Vereniging voor Creatieve Therapie, d_Link, Ruimte voor Kind-en Gezinsbegeleiding, Deurne
Lieven Desomviele, docent, dramatherapeut, lid RVB Belgische Vereniging voor Creatieve Therapie, Arteveldehogeschool, Gent
Door middel twee videofragmenten tonen wij twee casussen ter verdieping van de toepassing van creatieve therapie in de praktijk. We tonen en bespreken een fragment uit een sessie dramatherapie en een sessie beeldende therapie. De bespreking gebeurt aan de hand van de creatief therapeutische driehoek (Smeijsters, 2008), waarin op de drie assen (medium-cliënt; cliënt-therapeut, en medium-therapeut) doelgericht en methodisch gewerkt kan worden aan de problematiek ter bevordering van de behandeling.
Referenties
Landy, R. J. (2008). The Cough and the Stage: Integrating words and action in psychotherapy. Maryland, Rowman Littlefield
Smeijsters, H. (2003). Handboek creatieve therapie. Bussum, Coutinho

 

Symposium 10
dinsdag 14 september 2010 namiddag 14u00 - 15u30

De zoektocht naar genetische oorzaken van psychiatrische aandoeningen: psychiatrische aandoeningen en kleine chromosomale afwijkingen
voorzitter: Annick Vogels

S10.0 Inleiding
Annick Vogels
, kinder- en jeugdpsychiater, Centrum Menselijke Erfelijkheid, UZ Gasthuisberg, Leuven

Het is bekend dat bepaalde chromosomale afwijkingen een verhoogd risicogeven op psychiatrische aandoeningen. Recent zijn er nieuwe techniekendie toelaten zeer kleine chromosomale afwijkingen (copy numbervariaties)op te sporen. Kopijnummervariaties (CNV) zijn chromosoomsegmenten van1000bp (1kb) of langer die verschillen in kopij aantal tussen individuen. De laatste drie jaar is er binnen de psychiatrie een explosie geweest van interesse voor deze CNV-techniek en onderzoek heeft aangetoond dat CNV's vaker worden gevonden in patiënten met psychiatrische aandoeningen en dan vooral schizofrenie, autisme en bipolaire stoornis.
In een eerste deel geven wij de resultaten van CNV-onderzoek binnen een populatie van mentaal geretardeerden met psychiatrische problemen. In een tweede deel zullen de afwijkingen op de lange arm van chromosoom 16(16q11.2), regelmatig gevonden bij psychiatrische patiënten met mentale retardatie, als voorbeeld genomen worden om aan te tonen hoe genetisch onderzoek bij psychiatrische aandoeningen verloopt.
In een laatste deel bespreken we het belang van deze genetische afwijkingen bij het begeleiden van de families met een psychiatrische patiënt binnen hun gezin.
Referenties
Hywel J. Williams, Michael J. Owen and Michael C. O’Donovan (2009). Schizophrenia genetics: new insights from new approaches. Br Med Bull., 91, 61-74
St Clair, D. (2009). Copy number variation and Schizophrenia. Schizophr Bull, 35(1), 9-12


S10.1 Recente inzichten in het genetisch onderzoek bij psychiatrische stoornissen
Annick Vogels
, kinder- en jeugdpsychiater, Centrum Menselijke Erfelijkheid, UZ Gasthuisberg, Leuven
Eddy Weyts, orthopedagoog, UPC Sint-Kamillus, Bierbeek
Griet Van Buggenhout, Centrum Menselijke Erfelijkheid, UZ Gasthuisberg, Leuven
Richard Cayenberghs, UPC Sint-Kamillus, Bierbeek
In hun poging om een fysiologische oorzaak voor psychiatrische stoornissen te ontdekken die tot op de dag van vandaag nog niet gevondenis, storten psychiaters zich massaal op de genetica voor het vinden van een gen dat psychiatrische aandoeningen zou kunnen veroorzaken. De zoektocht naar genen die betrokken zijn bij psychiatrische ziekten, voltrekt zich met vallen en opstaan. Veel van de gemelde vondsten kunnen niet gerepliceerd worden. Het staat wel vast dat psychiatrische aandoeningen erfelijke componenten kennen en vanaf de jaren tachtig heeft het onderzoek daarnaar een hoge vlucht genomen.
Wij geven een kort overzicht van de gebruikte onderzoeksmethodes (familie-, tweeling- en adoptieonderzoek, linkage en associatiestudies) en bespreken nadien uitgebreid de meest recente methode(microarray-onderzoek) voor het opzoeken van zeer kleine chromosomale afwijkingen. Wij bespreken de voordelen en de mogelijke valkuilen alsook de meest recente resulaten van microarray-onderzoek uitgevoerd bij een populatie verstandelijk gehandicapten met psychiatrische problemen.
Referenties
Swets M., Middeldorp C.M., Schoevers R.A. (2009). Erfelijkheid en omgevingsinvloeden bij psychiatrische stoornissen. Tijdschrift voor psychiatrie, 51(9), 651-663


S10.2 Kandidaatgenen op 16p11.2, een autisme locus
An Crepel
, Centrum Menselijke Erfelijkheid, UZ Gasthuisberg, Leuven
Wouter de la Marche, Departement Kinder- en Jeugdpsychiatrie, Leuven
Ilse Noens, Department Pedagogische Wetenschappen, KULeuven
Jean Steyaert, Departement Kinder- en Jeugdpsychiatrie, Leuven
Koen Devriendt, Departement Menselijke Erfelijkheid, Leuven
Hilde Peeters, Departement Menselijke Erfelijkheid, Leuven
CNV's zijn kopij aantal variabele loci van 1000bp (1kb) of groter en worden vaker gevonden in patiënten met autismespectrumstoornis (ASS). Chromosoom 16p11.2 is een hotspot, waar frequent de novo CNV's ontstaan die geassocieerd zijn aan ASS, mentale retardatie, taalstoornissen en schizofrenie. De 600kb deletie bevat 25 genen en wordt gerapporteerd in maximum 1% van patiënten met ASS, evenals in patiënten met mentale retardatie en taalstoornissen. Het overervingspatroon van de CNV is complex en typisch voor een matige risicovariant: naast patiënten met de novo CNVs, kunnen andere patiënten de CNV overgeërfd hebben van een normale ouder. De implementatie van dergelijke CNVs in de genetische counseling is bijgevolg erg moeilijk, verder onderzoek is nodig. Daarnaast is er interesse naar de kandidaat genen.
We bestudeerden 16p11.2 CNV's in een groep van 363 niet-syndromale ASS-patiënten. Er werd o.a. een bijzondere deletie gevonden van slechts118kb groot (vijf genen). De deletie was overgeërfd in een familie met vier ASS-patiënten. De deletie segregeerde met autisme of deficits in sociale interactie in drie generaties op basis van onafhankelijke psychiatrische evaluatie en Social Responsiveness Scale scores. De deletie is dus een matige risicovariant voor ASS in deze familie en laat toe de kritische ASS kandidaat regio te verkleinen naar vijf genen.


S10.3 Benadering van personen met psychiatrische problemen waarvoor een genetische verklaring gevonden werd
Eddy Weyts
, orthopedagoog, UPC Sint-Kamillus, Bierbeek
Annick Vogels, kinder- en jeugdpsychiater, Centrum Menselijke Erfelijkheid, UZ Gasthuisberg, Leuven
Griet Van Buggenhout, Centrum Menselijke Erfelijkheid, UZ Gasthuisberg, Leuven
Richard Cayenberghs, UPC Sint-Kamillus, Bierbeek
Vanuit de biologie en de genetica heerst een optimistische sfeer. Men verwacht dat er heel wat psychisch leed zal voorkomen worden door toepassing van de ontdekkingen in de biologische wetenschappen en meer bepaald de genetica. Sommige onderzoekers beweren dat in de toekomst erfelijk bepaalde psychische aandoeningen zoals schizofrenie kunnen worden voorkomen. Als gevolg van dit bio-optimisme worden vaak de mogelijkheden van de geest en de kracht van bejegening door de omgeving vergeten.
Bij de groep patiënten met een dubbele diagnose psychiatrische problemen en een lichte verstandelijke handicap, zien we vaak kansarmoede en voorgeschiedenissen van verwaarlozing, mishandeling, hechtingsproblemen nog meer op de voorgrond. Wanneer er een genetisch oorzaak voor hun psychiatrische problemen gevonden wordt, vergeet men vaak het drukkende effect van de ongunstige omgevingsfactoren en de nood aan ondersteuning en bejegening van deze personen.
Wij bespreken de gevolgen van een genetische diagnose voor de patiënt en zijn familie, het belang van bejegening bij het zoeken naar een oorzaaken het meedelen van een diagnose. Als laatste bespreken wij onze ervaringen met psychiatrische patiënten (en hun familie) bij wie een genetische diagnose gevonden werd.


Symposium 11
dinsdag 14 september 2010 namiddag 14u00 - 15u30

Ontwikkeling van Good Clinical Practice in de herkenning en behandeling van ADHD bij (jong)volwassenen met verslavingsproblemen

Voorzitter: Frieda Matthys


S11.0 Inleiding
Frieda Matthys
, verslavingspsychiater, AZ Sint-Maarten, Mechelen; Free Clinic, Antwerpen; voorzitter VAD
David Möbius, stafmedewerker, VAD, Brussel
Het symposium brengt het proces van de ontwikkeling van richtlijnen voor deze doelgroep.
Het project werd opgevolgd door een stuurgroep bestaande uit:
• Prof. Bernard Sabbe (CAPRI, UAntwerpen)
• Prof. Bert Aertgeerts (CEBAM, KULeuven)
• Dr. Peter Joostens (OPZ, Rekem)
• Dr. Frieda Matthys (Free Clinic, Antwerpen; AZ Sint-Maarten, Mechelen)
• Dr. Steven Stes (UPC KULeuven, campus Kortenberg)
• Dr. Annemie Vermassen (ADIC, Antwerpen)
• Dr. Bie Tremmery, (UPC KULeuven, campus Kortenberg)

S11.1 Waarom het Forum Verslavingsgeneeskunde het initiatief voor dit project heeft genomen
Frieda Matthys
, verslavingspsychiater, AZ Sint-Maarten, Mechelen; Free Clinic, Antwerpen; voorzitter VAD

Uit onderzoek (Adler, 2008) blijkt dat bij 20 tot 25 % van de volwassenen met verslavings-problematiek ADHD aanwezig is, die meestal niet gediagnosticeerd en dus zeker niet behandeld wordt. De informatie en de deskundigheid in verband met deze problematiek is nog slechts zeer beperkt aanwezig in de verslavingssector (Upadhyaya, 2008). De weerstand om ADHD te behandelen met medicatie is groot bij verslavingsdeskundigen, omdat de eerste keus geneesmiddelen die effectief zijn bij ADHD zelf een verslavend potentieel bezitten (Wilens,2008).
De voordelen van een adequate behandeling van ADHD bij verslaafden blijken door te wegen ten opzichte van de risico's, mits de behandelingdeskundig verloopt.
Richtlijnen hieromtrent zijn dan ook een leemte.
Referenties
Adler LA. (2008). Familial transmission of ADHD and psychoactive substance use disorders. Am J Psychiatry, 165(1), 11-2
Upadhyaya H.P.(2008). Substance use disorders in children andadolescents with attention-deficit/hyperactivity disorder: implicationsfor treatment and the role of the primary care physician. Prim Care Companion J Clin Psychiatry, 10(3), 211-221
Wilens, T.,E., et al, (2008). Misuse and diversion of stimulants prescribed for ADHD: a systematic review of the literature. J Am Acad Child Adolesc Psychiatry, 47(1), 21-31


S11.2 Het proces van het opstellen van de richtlijnen
David Möbius
, stafmedewerker, VAD, Brussel
In de loop van 2009 werden, aan de hand van informatie uit focusgroepen, bestaande richtlijnen voor diagnostiek en behandeling van ADHD bij volwassenen en richtlijnen voor behandeling van verslaving nagelezen. Na een systematische review van evidence based onderzoek werden richtlijnen opgesteld en teruggekoppeld naar de expertengroep.
In 2010 worden deze richtlijnen uitgetest in twaalf Vlaamse verslavingscentra en de feedback samengebracht in nieuwe focusgroepen van behandelaars en van patiënten. Hierna volgt de evaluatie volgens de AGREE-methodiek.


S11.3 Multidisciplinaire richtlijnen voor de herkenning en behandeling van ADHD bij (jong)volwassenen met verslavingsproblemen
Frieda Matthys
, verslavingspsychiater, AZ Sint-Maarten, Mechelen; Free Clinic, Antwerpen; voorzitter VAD
De richtlijnen die na literatuuronderzoek werden opgesteld en getoetstaan de ervaring van experten en clinici uit het werkveld worden voorgesteld. Het betreft aanbevelingen zowel op gebied van screening en diagnostiek als van medicamenteuze en psychosociale behandeling.


S11.4 Implementeren van richlijnen voor de herkenning en behandeling van ADHD bij (jong)volwassenen met verslavingsproblemen in een ambulant en een residentieel centrum
Peter Joostens
, verslavingspsychiater, CAD Limburg, OPZC Rekem
Bij het toepassen van richtlijnen botst men op veel hinderpalen, zowel van menselijke als van praktische aard. Naast het beschrijven hiervan en het reflecteren hierover, worden hulpmiddelen en oplossingen voorgesteld.


Symposium 12
dinsdag 14 september 2010 namiddag 14u00 - 15u30

Belgen over psychische problemen en psychische hulpverlening. Resultaten van de Stigma in Global Context – Belgian Mental Health Survey
Voorzitter: Mieke Verhaeghe

S12.0 Assertieve Zorg in de Samenleving
Mieke Verhaeghe
, wetenschappelijk medewerker, Vakgroep Sociologie, Universiteit Gent
De onderzoeksgroep HeDeRa van de Universiteit Gent heeft in de herfst van 2009 een studie uitgevoerd naar de houding van de Belgische bevolking ten opzichte van personen met psychische problemen en psychische hulpverlening. Deze studie kadert in een internationaal vergelijkend onderzoek dat uitgaat van de Indiana University uit de Verenigde Staten. In totaal werden 1.200 face-to-face interviews afgenomen bij een representatieve steekproef uit de Belgische bevolking.
In eerste instantie wordt het onderzoeksopzet toegelicht en geïllustreerd met enkele beschrijvende resultaten. Hierbij worden de Belgische resultaten vergeleken met de resultaten uit andere landen.
In tweede instantie wordt gefocust op de bereidheid tot het zoeken van hulp bij diverse types zorgverleners. Verschillende subpopulaties worden met elkaar vergeleken, aangezien stigma reeds een effect kan hebben op het rapporteren van psychische problemen en zorggebruik.
Ten derde wordt nader ingegaan op de stigmatisering van de geestelijke gezondheidszorg zelf. Hoe staat men tegenover professionele hulpverlening in het algemeen en meer specifiek tegenover een opname in een psychiatrisch ziekenhuis? Hoe open staat men voor ‘community care’? Wat zijn de gevolgen hiervan voor de eigen bereidheid tot zorggebruik?


S12.1 Stigma in België vanuit een internationaal perspectief
Piet Bracke
, docent (medische) sociologie, Vakgroep Sociologie, Universiteit Gent

Deze bijdrage licht het algemene opzet van de Stigma in Global Context – Belgian Mental Health Survey toe. Na een korte schets van de doelstelling en de werkwijze van de studie wordt vooral aandacht besteed aan de beschrijving van de houding van Belgen tegenover psychische problemen. Wat denken en weten Belgen over psychische problemen? Kunnen ze psychische problemen herkennen en benoemen? Schrijven ze psychische problemen toe aan stress of eerder aan een genetische oorzaak? Hoe zien ze psychische problemen evolueren?
Welk beeld hebben Belgen over personen met psychische problemen: vertonen ze begrip, of zijn ze eerder bang? Verschilt hun houding ten opzichte van personen die kampen met een depressie versus personen met schizofrenie? Willen ze die personen als buur, collega of vriend?
Vervolgens wordt de positie van België gesitueerd binnen de internationale steekproef van landen. Hoe stigmatiserend zijn Belgen in vergelijking met de andere landen? Wat zijn de mogelijke oorzaken en implicaties hiervan?


S12.2 De bereidheid tot zorggebruik voor psychische problemen binnen de Belgische bevolking
Elise Pattyn
, bursaalstudent, Vakgroep Sociologie, Universiteit Gent
In deze studie brengen we de bereidheid om hulp te zoeken bij diverse types van zorgverleners in kaart voor de Belgische bevolking. Naast het klassieke onderscheid tussen formele (huisartsen specialisten) en informele zorgverleners (vrienden, familie), worden ook alternatieve hulpbronnen in rekening gebracht zoals zelfhulpgroepen en alternatieve geneesheren (homeopaat, acupuncturist, chiropractor).
Aangezien de bereidheid tot zorggebruik voor psychische problemen onderhevig is aan stigmatisering, vergelijken we enkele subpopulaties om dit effect te schetsen. De mate waarin eigen psychische problemen en zorggebruik gerapporteerd worden, geven een indicatie van de graad van stigmatisering die werkzaam is. Zij die rapporteren dat ze ooit kampten met psychische problemen, maar geen melding maken van een behandeling worden vergeleken met zij die wel in behandeling gingen. De respondenten die zeggen dat ze nog nooit psychische problemen kenden, maar wel psychische klachten vertonen worden vergeleken met diegenen die een lage score behalen op de klachtenschaal.
Als hypotheses stellen we dat stigmatisering niet louter een drempel vormt om formele hulp te gaan zoeken, maar tevens een ‘push-‘ of ‘pullfactor’ kan zijn naar of weg van informele en alternatieve zorgverleners.


S12.3 Zorgen over de zorg? De houding van Belgen tegenover geestelijke gezondheidszorg
Mieke Verhaeghe
, wetenschappelijk medewerker, Vakgroep Sociologie, Universiteit Gent
In deze bijdrage wordt gefocust op de houding van Belgen tegenover geestelijke gezondheidszorg. Enerzijds wordt ingegaan op het beeld dat de algemene bevolking heeft over de klassieke bron van hulpverlening, namelijk psychiatrische ziekenhuizen. Anderzijds worden de kennis en houding tegenover alternatieve zorgvoorzieningen beschreven zoals psychiatrische afdelingen binnen algemene ziekenhuizen en meer gedesinstitutionaliseerde zorg.
Naast deze beschrijvingen worden een reeks van determinanten onderzocht die een invloed uitoefenen op het beeld dat mensen hebben over degeestelijke gezondheidszorg. Welke rol spelen factoren zoals kennis encontact?
Tot slot wordt aandacht besteed aan enkele implicaties. Welke gevolgenheeft het beeld over geestelijke gezondheidszorg op de eigen bereidheidtot zorggebruik? Welke zijn hier de beleidsimplicaties van?

Symposium 13
dinsdag 14 september 2010 namiddag 14u00 - 15u30
Impulsiviteit bij middelengebruikers

Voorzitter: Geert Dom

S13.0 Inleiding
Geert Dom
, psychiater, PC Broeders Alexianen, Boechout; CAPRI, UAntwerpen
In het PC Broeders Alexianen (Boechout) wordt het impulsiviteit concept bestudeerd in een populatie van middelen afhankelijke personen. In dit symposium worden niet alleen het impulsiviteit concept doch ook de momentane onderzoekslijnen toegelicht.


S13.1 Impulsiviteit en anhedonie bij polydrugmisbruik: een gerandomiseerde, dubbelblinde, placebo gecontroleerde studie metbupropion
Laura Stevens
, psychiater, PC Broeders Alexianen, Boechout; CAPRI, UAntwerpen
In de literatuur komt naar voren dat zowel anhedonie, i.e. eenonvermogen plezier te beleven, als impulsiviteit een belangrijke rolspelen in de ontwikkeling en de instandhouding van een polydrugmisbruik(PDM). Een disfunctionerend dopaminerg systeem ligt mogelijk aan debasis van zowel verslaving, als van stoornissen in de impulscontrole en anhedonie. In een gerandomiseerde, dubbelblinde en placebo gecontroleerde studie zullen we onderzoeken of bupropion, een dopamine en noradrenaline reuptake inhibitor, een effect kan sorteren op impulsiviteit en anhedonie. 50 PDM patiënten zullen een baseline meting ondergaan, waarna ze voor 12 weken ofwel een placebo, ofwel bupropion toegediend krijgen. Zowel op baselineniveau, als tijdens de medicatie studie zullen we de verschillende dimensies van impulsiviteit onderzoeken door gebruik te maken van computertaken, vragenlijsten en een EEG-recording. Via de EEG zullen we de ERN (error-related negativitywave) onderzoeken. Dit is een event-related potential die 50 tot 150msna het maken van een fout verschijnt. Anhedonie zullen we eveneens meten op baseline niveau en na zes weken inclusie in de medicatiestudie, en dit zowel op trek als toestandsniveau. Dit doen we met behulp van vragenlijsten.
Een eerste belangrijk doel van deze studie is na te gaan in hoeverre PDM-patiënten te differentiëren zijn op basis van baseline metingen van anhedonie en impulsiviteit. Verder willen we analyseren of deze verschillen ook tot uiting komt in de outcome. Daarnaast zullen we deconcentratie dopamine in het bloedplasma meten. We zullen nagaan in hoeverre deze concentratie van de norm afwijkt bij personen met een PDM en in welke mate de toediening van bupropion hierop een effect heeft. Verder gaan we ook na in hoeverre de toediening van bupropion een effect heeft op de anhedonie- en impulsiviteitsmaten en op de outcome.


S13.2 Neurocognitieve taken voorspellen het risico op herval bij polydruggebruikers
Bieke De Wilde
, psychologe, PC Broeders Alexianen, Boechout; CAPRI, UAntwerpen
Middelengebonden stoornissen zijn chronisch van aard. Dit betekent o.a. dat verslaafde personen er ondanks hun verwoede pogingen om hun gebruikte staken, vaak niet in slagen abstinent te worden en/of te blijven. De zoektocht naar de factoren die het herval in middelengebruik voorspellen (vb. klinische variabelen, persoonlijkheidstrekken) leverde tot op heden weinig consistente resultaten op. Uit recent onderzoek blijkt dat een aantal neurocognitieve taken die het impulsiviteit concept meten (impulscontrole, beslissingsvaardigheden) in verschillende populaties wel een voorspellende waarde hebben.
Recente data teruggevonden in een Belgische populatie van polydruggebruikers worden voorgesteld en toegelicht, vertrekkende vanuit de internationale onderzoeksliteratuur.


S13.3 De rol van impulsiviteit en cognitief functioneren bij verslaving: een gerandomiseerd, dubbel-blind, placebo-gecontroleerde studie met modafinil bij alcoholafhankelijkheid
Leen Joos
, PC Broeders Alexianen, Boechout; CAPRI, UAntwerpen
Vanuit de literatuur komt een sterke evidentie naar voren dat cognitieve functies een belangrijke rol spelen in de ontwikkeling, het verloop en de terugval bij middelenafhankelijkheid. In het bijzonder zien we dat vooral problemen in de zelfregulatie (impulsief gedrag) en gedrag dat tot stand komt wanneer men wordt geconfronteerd met drug-gerelateerdestimuli (craving) leiden tot een verhoogd risico op terugval. Aangezien farmacotherapie voor cognitieve defecten zeldzaam zijn en terugval na behandeling zeer vaak voorkomt, zullen we een gerandomiseerde, dubbel-blinde, placebo-gecontroleerde studie uitvoeren met modafinil, gekend om zijn waakzaamheidsbevorderende en cognitie verbeterende effecten.
Honderd alcohol-afhankelijke patiënten zullen random worden toegewezen aan een modafinil- (300 mg/dag - enkele dosis ‘s morgens), of placebo-conditie, gedurende tien weken. Zowel neurocognitieve computertaken (die impulsiviteit en cognitieve functies meten), als zelfrapportage vragenlijsten zullen worden afgenomen voor, tijdens en na de behandeling. Vervolgens zullen patiënten tot zes maanden nabehandeling telefonisch worden opgevolgd om terugval in kaart te brengen. Primaire uitkomstvariabelen zijn testperformantie, en mate van craving en terugval. Er wordt verwacht dat modafinil het cognitieve functioneren verbetert, de tijd tot een eerste terugval verlengt en defrequentie en ernst van terugval reduceert.


Symposium 14
woensdag 15 september 2010 voormiddag 9u15 - 10u45

Wanneer men het R.O.E.R. even kwijt is: nieuwe ontwikkelingen in de zorg voor nabestaanden

Voorzitter: Let Dillen

S14.0 Inleiding
Let Dillen
, wetenschappelijk medewerker, medewerkster ROER, Universiteit Gent
Na een betekenisvol verlies kan je als nabestaande soms het roer(eventjes of gedurende lange tijd) kwijt zijn, het gevoel van controle over het leven is zoek en je probeert je leven terug in handen te nemen, te heroriënteren en terug op koers te varen of een nieuwe koers uit te stippelen. Dit kan je ervaren op emotioneel vlak, maar ook op lichamelijk, materieel, mentaal, relationeel, existentieel, spiritueel vlak. Soms kan het ook goed zijn om het roer een tijdje in andere handen te geven. Ook de zorgverlener, hetzij familie, vriend, leerkracht,vrijwilliger of professionele hulpverlener, kan in de confrontatie met rouw of de rouwende soms het roer kwijt zijn. Je weet niet wat je moet zeggen of doen, je weet niet of het om normale rouw gaat of gecompliceerde rouw, je mist houvast in de begeleiding van complexe of rauwe emoties, of het zoeken naar betekenis of zin, in de behandelingvan traumatische symptomen of je mist instrumenten in je therapeutische aanpak.
De werkgroep ROER wil in de eerste plaats de zorgverlener, van de vrijwilliger tot de professioneel, ondersteunen en de bevordering van deskundigheid en expertise nastreven. In dit symposium stelt de werkgroep nieuwe inzichten voor op vlak van rouwtherapie, rouwgroepen en rouw bij kinderen en jongeren.


S14.1 Introductie in rouwtherapie
Johan Maes
, psycho- en rouwtherapeut, verantwoordelijke De Bedding, medewerker ROER
Rouwtherapie wordt opgestart bij de diagnose van gecompliceerde rouw.Wat zijn de criteria van gecompliceerde rouw, wie loopt risico, waarin verschilt deze diagnose van bv. depressie, angststoornis of PTSS en waaruit kan een adequate behandeling of rouwtherapie bestaan?
Een ontwerp van nieuwe diagnostiek voor de DSMV wordt toegelicht. De krachtlijnen van rouwtherapie worden geschetst waarin plaats is voor benaderingen vanuit de cognitieve gedragstherapie, de systeemtherapie, de narratieve therapie, de traumatherapie, de creatieve therapie. Rouwtherapie beweegt zich tussen presentie en interventie.


S14.2 Rouwgroepen anders bekeken?
Gerke Verthriest
, zelfstandig rouwbegeleidster, medewerkster ROER
Deelnemen aan een gespreksgroep is één van de (sociaal aanvaarde) vormen van coping die kan helpen voorkomen dat rouwenden vastlopen in rouwproblematiek. Mogen we daaruit besluiten dat het aangewezen is omrouwenden te stimuleren tot deelname aan dergelijke groepen en hetaanbod ervan uit te breiden?
Aan de hand van een literatuurstudie van wetenschappelijke publicatiesvan de afgelopen 10 jaar over de effecten van interventies op rouwenden worden aanbevelingen geformuleerd i.v.m. doelgroep, aanbod, effecten en begeleiding.


S14.3 Rouw bij kinderen en jongeren vanuit een emotioneel perspectief
Let Dillen
, wetenschappelijk medewerker, medewerkster ROER, Universiteit Gent
Tot nu toe ontbreekt een helder begrip van de fenomenologie van het rouwproces van kinderen en jongeren. Dit hiaat is het resultaat van de dominantie van een stressor-uitkomstbenadering, het ontbreken van een omvattend kinderrouw instrument, en het ontbreken van een benadering die de verschillende rouwmodellen en -data omvat.
De hedendaagse emotietheorie lijkt een veelbelovende kandidaat, omdat het verschillende theoretische perspectieven vanuit het rouwdomein incorporeert. Het doel van de huidige studie is het conceptueel en empirisch vatten van het rouwproces bij kinderen en jongeren vanuit een emotieperspectief.
Op basis van data van 120 kinderen en jongeren die een dierbare verloren hebben beschrijven we de emotionele basiselementen van kinderrouw en hoe deze samenhangen met het algemeen psychosociaal functioneren van deze kinderen. Implicaties voor de bredere rouwpraktijk worden verder geschetst, met aandacht voor de grens tussen normale en gecompliceerde rouw..


Symposium 15
dinsdag 14 september 2010 namiddag 16u00 - 17u30

Schizofrenie anders bekeken
Voorzitter: Manuel Morrens

S15.0 Inleiding
Manuel Morrens
, psychiater, doctor in de medische wetenschappen,postdoctoraal onderzoeker, Universiteit Antwerpen, Collaborative AntwerpPsychiatric Research Institute (CAPRI), Wilrijk
Schizofrenie is een ernstige, chronische hersenaandoening met drastische gevolgen voor de patiënt en diens omgeving. Deze aandoening wordt gekenmerkt door gedragsmatige, cognitieve en affectieve problemen. Echter, klinisch waarneembare symptomen zoals wanen en hallucinatiesbieden weinig handvaten voor onderzoek gericht op het begrijpen van onderliggende pathofysiologische processen. Het onderzoek gericht op het identificeren en doorgronden van endofenotypes brengt ons een stapdichter bij deze doelstellingen. Zowel psychomotorische symptomen gekenmerkt door verstoringen in de planning, initiatie en uitvoering van bewegingen, als verstoringen in sociale cognitieve processen zijn daarom interessante onderzoeksdoelwitten. Verder biedt het onderzoek naar de onderliggende genetische afwijkingen een aanvullend perspectief op deze complexe pathologie.

S15.1 De relatie tussen psychomotorische vertraging, depressieve en negatieve symptomen bij schizofrenie
Manuel Morrens
, psychiater, doctor in de medische wetenschappen,postdoctoraal onderzoeker, Universiteit Antwerpen, Collaborative AntwerpPsychiatric Research Institute (CAPRI), Wilrijk
Bernard Sabbe, psychiater prof. dr., UZA/CAPRI, Universiteit Antwerpen
Schizofrenie is een aandoening gekenmerkt door positieve, negatieve, cognitieve en psychomotorische symptomen. Psychomotorische vertraging, i.e. vertraging in de initiatie en uitvoering van bewegingen, is een syndroom dat de laatste jaren hernieuwde aandacht kreeg vanwege zijn voorspellend karakter voor het functioneren van de schizofrene patiënt. Deze patiënten hebben ook vaak te kampen met depressieve episodes. Gezien psychomotorische vertraging ook een symptoom is van depressie, werd geopperd dat deze vertraging bij schizofrene mensen louter een gevolg is van comorbide depressie en niet zozeer een kenmerk van schizofrenie op zich. Daarnaast is er onduidelijkheid over het verband tussen psychomotorische armoede (verminderd bewegen) als onderdeel van de negatieve symptomen en de psychomotorische vertraging. Het voorgestelde onderzoek tracht het verband tussen psychomotorische vertraging enerzijds en negatieve en depressieve symptomen anderzijds te verduidelijken in een groep schizofrene patiënte.


S15.2 Psychomotorische symptomen bij schizofrenie: afzonderlijke symptoomgroepen of één syndroom?
Lise Docx
, doctoraal onderzoeker, Universiteit Antwerpen, Collaborative Antwerp Psychiatric Research Institute (CAPRI), Wilrijk
Bernard Sabbe, psychiater prof. dr., UZA/CAPRI, Universiteit Antwerpen
Psychomotorische symptomen zijn symptomen waarbij afwijkingen in de planning, initiatie en uitvoering van bewegingen de belangrijkste component uitmaken. Bij schizofrene patiënten kunnen drie symptoomgroepen worden onderscheiden die aan deze omschrijving voldoen: katatonie (d.i. een heterogeen syndroom bestaande uit o.a. stereotypie, stupor, katalepsie…), psychomotorische vertraging (vertraging in deinitiatie en uitvoering van bewegingen) en neurological soft signs(verstoringen in sensorische integratie, motorische coördinatie enmotorische sequentie).
Voorgesteld onderzoeksproject wil de onderlinge samenhang van deze heterogene symptoomgroepen in kaart brengen. Gaat het om drie onafhankelijke symptoomgroepen of is er sprake van een psychomotorisch syndroom? Om deze vragen te beantwoorden zullen 150 patiënten met een DSM-IV diagnose schizofrenie of schizo-affectieve stoornis gedurende 1 jaar worden opgevolgd in een longitudinaal design. Het psychomotorisch functioneren van de patiënten zal op drie momenten (baseline – baseline +6 maanden – baseline + 12 maanden) worden gemeten aan de hand van zowel klinische als neuropsychologische instrumenten. De baseline data worden gepresenteerd.


S15.3 De cognitieve effecten van nicotine bij schizofrenie
Charel Quisenaerts
, geneesheer specialist in opleiding totpsychiater - doctoraal onderzoeker, Universiteit Antwerpen,Collaborative Antwerp Psychiatric Research Institute (CAPRI), Wilrijk
Bernard Sabbe, psychiater prof. dr., UZA/CAPRI, Universiteit Antwerpen
De zoektocht naar cognitieve enhancers is meer dan ooit actueel.Nicotine is één van de preparaten die op dit terrein sterk onder de aandacht werd geplaatst. Vele studies tonen een cognitie bevorderend effect van nicotine aan, al zijn de meeste studies niet éénduidig. We willen onderzoeken of nicotine cognitief bevorderend werkt, verder willen we het mogelijk effect van nicotine differentiëren binnen verschillende cognitieve subdomeinen en binnen verschillende subgroepen.Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een zeer uitgebreide cognitieve testbatterij, waarin 16 neurofysiologische taken afgenomen worden bij 16rokende versus niet-rokende patiënten met schizofrenie en bij 16 jongere versus oudere gezonde controles, in drie verschillende condities(high nicotine, low nicotine en placebo).
De bijdrage start met een bondig overzicht van studies die het effect meten van nicotine op cognitie bij schizofrenie, gevolgd door een inleiding in de neurobiologie van de nicotine receptor bij schizofrenie.Tot slot wordt het eigen onderzoeksproject, inclusief de te verwachten resultaten gepresenteerd.


S15.4 Heden, verleden en toekomst van het genetisch onderzoek bij schizofrenie
Maarten Van Den Bossche
, geneesheer specialist in opleiding tot psychiater - doctoraal onderzoeker, Applied Molecular Genomics Group,VIB Department of Molecular Genomics en Collaborative Antwerp Psychiatric Research Institute (CAPRI), Universiteit Antwerpen
Jurgen Del-Favero, hoogleraar, groepsleider Applied Molecular Genomics, VIB Department of Molecular Genetics, Universiteit Antwerpen

Tweeling-, adoptie- en familiestudies hebben aangetoond dat genetische factoren een belangrijke rol spelen in het ontstaan van schizofrenie. Algemeen wordt ervan uitgegaan dat schizofrenie veroorzaakt wordt door een samenspel van genetische factoren en omgevingselementen waarbij de bijdrage van de genetische factoren (heritabiliteit) minstens 65% bedraagt. De identificatie van exacte causale varianten en van de pathofysiologische mechanismen waarlangs mutaties hun effect uitoefenen bleef echter vooralsnog uit. Veel hoop werd gevestigd op de recente, zeer grote genoomwijde SNP-gebaseerde associatiestudies, die echter weinig significante resultaten opleverden.
Er wordt kort een beeld geschetst van de huidige stand van zaken van het genetisch onderzoek in schizofrenie, waarbij de oorzaken voor het tot nog toe beperkte succes worden besproken. Voorts wordt stilgestaan bij de meest interessante nieuwe technieken die gebruikt worden in hedendaagse genetische studies: next-generation en volledige genoomsequencing, het gebruik van endofenotypes, epigenetica, ... Hierbij worden indien mogelijk eerste resultaten van eigen onderzoek toegelicht.
Ten slotte wordt stilgestaan bij het belang van genetisch onderzoek voor de klinische praktijk.


Symposium 16
dinsdag 14 september 2010 namiddag 16u00 - 17u30

Psychoanalytische therapie en gehechtheidsstoornissen

Voorzitter: Marc Hebbrecht

S16.0 Inleiding
Marc Hebbrecht
, psychiater, psychotherapeut, psychoanalyticus,Vlaamse Vereniging voor Psychoanalytische Therapie, PZ Sancta MariaSint-Truiden en UPC KULeuven, campus Kortenberg

In dit symposium wordt aan de hand van drie bijdragen door leden van de Vlaamse Vereniging voor Psychoanalytische Therapie geïllustreerd op welke wijze de verschillende vormen van psychoanalytische therapie kunnen bijdragen tot een veilige gehechtheid. Vanuit de kindertherapie worden voorbeelden gegeven van therapeutische preventieve interventies aan huis. Vervolgens wordt aangetoond hoe mentalization based treatment de gehechtheidsstijl van borderlinepatiënten kan veranderen. Tenslotte wordt nagegaan op welke wijze psychoanalytische groepstherapie kan bijdragen tot het verbeteren van gehechtheid. Na de drie bijdragen volgt een korte discussie waarbij R. Vermote en G. Cluckers enkele slotbeschouwingen leveren. M. Hebbrecht modereert het geheel.


S16.1 Een therapeutische preventieve interventie aan huis voor ouders met psychische problematiek en hun baby’s
Martine Sucaet
, psychoanalytische kindertherapeute, CGG Vlaams-Brabant Oost, Leuven
Ria Van Laer, psychoanalytische kindertherapeute, CGG Vlaams-Brabant Oost, Leuven
Baby’s zijn voor hun ontwikkeling sterk afhankelijk van de relationele vaardigheden van hun ouders. Wanneer jonge kinderen niet voldoende kunnen ondervinden dat een emotioneel ontvankelijke en sensitieveverzorger in staat is de betekenis van prikkels, die hen van buitenaf of van binnenuit overkomen, te vatten en te reguleren dan kunnen zij zelf ook weinig regulatievermogen ontwikkelen.
We onderscheiden twee stijlen waarop depressieve ouders met hun kinderen omgaan. Er zijn depressieve moeders bij wie de interactie met hun kind gekenmerkt wordt door minder expressiviteit, minder praten, sombere of zeer vlakke gemoedstemming, te weinig emotionele betrokkenheid enzovoort. Bij deze vorm van depressie is er een risico voor emotionele verwaarlozing.
Er zijn depressieve moeders bij wie emotionele afwezigheid gepaard gaat met grote irritatie en intrusieve verstoringen in de interactie met het kind. Bij deze reactievormen is er een risico voor mishandeling. Bij beide stijlen zullen baby’s zich gaandeweg meer afwenden van ieder sociaal contact en zich passief gedragen. Een vermijdende of gedesorganiseerde gehechtheidsstijl kan hieruit voortvloeien.
Echter, voor deze ouders is het vaak moeilijk om de stap te zetten naar hulpverlening. Daarom biedt de moeder-babywerking van het cgg vanuit een tweedelijnsniveau voor deze doelgroep een therapeutische interventie aan huis die preventief werkzaam is t.a.v. het ontstaan van latere problemen bij de kinderen. Het project richt zich momenteel tot het hele werkingsgebied van CGG Vlaams-Brabant Oost.


S16.2 Gehechtheid bij de borderline persoonlijkheidsstoornis
Bart Vandeneede
, psycholoog, KLIPP afdeling UPC KULeuven, campus Kortenberg

De capaciteit om in stresserende situaties jezelf van buitenaf te kunnen bekijken, en anderen van binnenuit, namelijk het 'mentaliseren', blijkt in een rechtstreeks verband te staan met de activatie van het hechtingssysteem. Die neurobiologische bevindingen zijn rechtstreeks relevant voor de psychotherapie met borderline cliënten, en leiden tot een paradoxale situatie.
Enerzijds is een veilige hechtingssituatie nodig als werkalliantie waarbinnen de capaciteit tot mentaliseren kan versterken; anderzijds vormt een te sterke activatie van hechting een aanslag op het mentaliserend vermogen. We bekijken de implicaties daarvan voor de behandeling van deze groep patienten. Dit wordt geïllustreerd aan de hand van klinische ervaringen in op mentalisatie-gebaseerde psychotherapie.


S16.3 “I never promised you a rose garden”. Draagt psychoanalytische groepstherapie bij tot veilige gehechtheid?
Piet Decoster
, psycholoog, psychoanalytisch therapeut, PTC Rustenburg, Brugge

Zoals de ervaring van elke clinicus leert, is het slagen van een therapie nooit de verdienste van een individu, maar het resultaat van het samenwerken tussen verschillende individuen: tussen een therapeut die beschikt over de sensitiviteit en de onvoorwaardelijkheid om elk (on)denkbare beleving van een patiënt te (be)vatten - en de patiënten die over de moed en volharding beschikken om hun demonen onder ogen te zien. Is een utopie nu net niet juist dát wat de mogelijkheden geduldig doch onophoudelijk openstelt?
In het psychoanalytische groepswerk valt juist dat wat niet gezegd wordt te interpreteren als het onbewuste van de groep met bijgevolg een bepalend effect. In tegenstelling tot een individuele psychoanalytische psychotherapie, wordt niet gewerkt naar het stimuleren van de overdracht maar wel naar het oplossen ervan. Dit groeiproces is langzaam en moeilijk en resulteert na verloop van tijd in een wijziging van de zelfbeleving. Iets wat pas na heel wat gezamenlijke exploratie van gevoelens en interacties tot stand kan komen.
Het is onze overtuiging dat de eigenschap die voor ons hierbij het belangrijkste is, onze gerichtheid is op het onbekende. We mogen patiënten niet opsluiten in ons begrijpen.
Dit leidt niet zozeer tot een groter zelfinzicht maar wel tot nieuw leven, tot een vertrouwen in iets creatiefs in zichzelf. Dit draagt bij tot een veilige gehechtheid.
Foulkes, S.H. (1975) Group-Analytic Psychotherapy: Methods and Principles. London, Gordon & Breach
Neri, C. (1995) Group. London, Jessica Kingsley


Symposium 17
dinsdag 14 september 2010 namiddag 16u00 - 17u30

Samenwerking in de forensische psychiatrie: een voorbeeld voor dealgemene psychiatrie? Disciplines van de GGZ Westelijk Noord-Brabant in Nederland getuigen

Voorzitter: Kris Goethals

S17.0 Inleiding
Kris Goethals
, psychiater, onderzoeker, Geestelijke Gezondheidszorg Westelijk Noord-Brabant (NL), afdeling Forensische Psychiatrie;Universitair Ziekenhuis Antwerpen, Universitair Forensisch Centrum en Universiteit Antwerpen, CAPRI

Geestelijke Gezondheidszorg Westelijk Noord-Brabant (GGZ WNB) heeft een zorgprogramma forensische psychiatrie, dat uitgevoerd kan worden in de verschillende onderdelen: de forensisch-psychiatrische afdeling (FPA), de forensisch-psychiatrische polikliniek (FPP), de deeltijdbehandeling voor licht verstandelijk gehandicapten met seksueel grensoverschrijdend gedrag, forensisch wonen en consultatie van professionals, zowel binnen GGZ WNB als in andere organisaties.
Elke module binnen het zorgprogramma is gericht op delictpreventie enterugkeer naar de maatschappij. Het is de bedoeling dat cliënten na hun forensisch-psychiatrische behandeling verder behandeld of begeleid worden door de algemene ggz. De forensische psychiatrie beweegt zich op het grensvlak tussen geestelijke gezondheidszorg en justitie. We werken aan de ene kant nauw samen met het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) van het Ministerie van Justitie, de penitentiaire inrichtingen, de reclassering,forensisch-psychiatrische centra (FPC’s) (voorheen TBS-klinieken genoemd) en forensisch-psychiatrische klinieken (FPK’s) en aan de andere kant met ambulante hulpverlening, begeleid wonen en ggz-instellingen inde regio. Het werkgebied loopt van Zeeland tot Eindhoven en is breder dan het normale verzorgingsgebied van GGZ WNB, dat zich beperkt tot westelijk Noord-Brabant.
In dit symposium komen verschillende disciplines aan het woord. Voor de forensische psychiatrie van GGZ WNB zijn de volgende kernbegrippen belangrijk: ketensamenwerking, risicomanagement, motiveren, bemoeizorg en empowerment. Deze kernbegrippen worden één voor één toegelicht. We nodigen de deelnemers van dit symposium daarna uit om levendig te discussiëren over de voor- en nadelen van de Nederlandse forensische psychiatrie en hoe deze een voorbeeld kan zijn voor de algemene psychiatrie.


S17.1 De rol van de forensisch-psychiatrische polikliniek binnen de ketensamenwerking in het veiligheidshuis van Bergen op Zoom
Cissy Klaassen
, sociaal psychiatrisch verpleegkundige, afdeling Forensische Psychiatrie, GGZ Westelijk Noord-Brabant

Het Veiligheidshuis district Bergen op Zoom is een samenwerkingsverband van gemeenten, Openbaar Ministerie, politie en instellingen op het gebied van zorg, veiligheid, welzijn en justitie. Zij richten zich op crimineel gedrag, overlast en de slachtoffers hiervan. Informatie voor een effectiever en sneller ingrijpen wordt direct uitgewisseld binnen het Veiligheidshuis.
De partners van het Veiligheidshuis zorgen voor een essentiële bijdrage in het voorkomen van eerste delicten, het terugdringen van recidive en het zorg dragen voor adequate zorg voor het slachtoffer. Het streven naar effectiviteit van de veiligheidsketen maakt aansluiting met de omgeving van essentieel belang: gebiedsgericht werken en samenwerking met ketenpartners zijn daarbij de sleutelwoorden. Winst op het gebied van de doeltreffendheid kan bereikt worden door kritisch te kijken naar de "slimheid" van de afstemming van delen van de bedrijfshuishoudingen en processen van de deelnemende organisaties. De kernopdracht van het Veiligheidshuis is om vroegtijdig, snel, consequent, persoonsgericht, samenhangend en gelijktijdig te reageren op(dreigend) overlast en strafbare feiten. Binnen het Veiligheidshuis worden twee typen doelen onderscheiden: 1. Optimale ketensamenwerking: het gaat hier vooreerst om het versterken van de ketenregie, de samenhang tussen de delen in de keten en tussen de ketens en efficiëntie en ondersteuning van werkprocessen. Ten tweede gaat het hier om de coördinatie van informatie, waardoor het Veiligheidshuis fungeert als informatie knooppunt. Adequate communicatie is daarbij een belangrijk doel. 2. Focus op specifieke doelgroepen: bij aanvang van het Veiligheidshuis Bergen op Zoom is er met de partners bepaald dat het gaat om de doelgroepen jeugd, veelplegers, recidivisten en slachtoffers.


S17.2 De rol van risicotaxatie en -management binnen de ambulante forensische psychiatrie
Karel de Bruijn
, sociaal psychiatrisch verpleegkundige i.o., afdeling Forensische Psychiatrie, GGZ Westelijk Noord-Brabant

Binnen de behandeling van ambulante forensisch-psychiatrische cliëntenis veel aandacht voor risicotaxatie en risicomanagement. Het doel van de behandeling is het terugdringen van delictrecidive. In de behandeling dient aandacht te zijn voor criminogene behoeften, dynamische kenmerken die risicoverhogend zijn en die door middel van behandeling verminderd kunnen worden. Het is dus zaak deze kenmerken in kaart te brengen en cliënten te motiveren voor behandeling, waardoor criminogene behoeften kunnen verminderen. Instrumenten om die kenmerken in kaart te brengen zijn de HCR-20 en de SVR-20.
Daarnaast wordt er de laatste jaren veel gesproken over het "goodlives-model", waarin uitgegaan wordt van de sterke kanten van de cliënt, waardoor aanknopingspunten worden geboden voor cliënt en behandelaar om die aspecten die belangrijk zijn om te kunnen functioneren en leven te bevorderen.
Volgens de laatste inzichten is het niet voldoende binnen de ambulante behandeling van forensisch-psychiatrische cliënten om de nadruk te leggen op het reduceren van dynamische risicofactoren, maar dient er tevens aandacht te zijn voor het benadrukken van de positieve aspecten van de cliënt en diens leven als protectieve factoren in het voorkomen van delictrecidive.
Door een behandeling aan te bieden waarin een combinatie geboden wordt van risicoreductie en bevordering van het gevoel van kwaliteit van leven bij de forensisch-psychiatrische cliënt kan het gevaar op delictrecidive volgens de laatste wetenschappelijke inzichten aanzienlijk verminderd worden.


S17.3 Muziek- en activiteitentherapie op een forensisch psychiatrische afdeling
Nynke de Jong
, vaktherapeut, afdeling Forensische Psychiatrie, GGZ Westelijk Noord-Brabant
Ingrid van Doorn, activiteitentherapeute, afdeling Forensische Psychiatrie, GGZ Westelijk Noord-Brabant

Binnen de forensisch-psychiatrische afdeling de Mare maken onder andere muziek-, psychomotore- en activiteitentherapie deel uit van het multidisciplinaire team. Deze handelings- en ervaringsgerichte therapieën leveren een belangrijke bijdrage aan de behandeling.
In het handelen van de cliënt wordt het (delict)gedrag zichtbaar, waardoor het te benoemen en te beïnvloeden is. De therapie nodigt uit tot het veilig experimenteren met andere vormen van gedrag. Doordat de cliënt binnen deze therapievormen kan ervaren en voelen welke consequenties zijn gedrag heeft en welke effecten andere oplossingen hebben, blijkt de cliënt dit beter vast te kunnen houden.
Binnen muziektherapie krijgt de cliënt meer zicht op zijn eigen gevoelswereld, leert hierbij stil te staan en woorden aan te geven. Binnen het musiceren kan de cliënt emotioneel betekenisvol contact ervaren. Daarnaast leert de cliënt op gezonde manier op te komen voor zichzelf, verantwoordelijkheid te nemen en rekening te houden met zijn eigen en andermans grenzen.
Binnen de activiteitentherapie gaat de cliënt concreet aan de slag met aspecten van zijn persoonlijkheid die tot een delict hebben geleidt. Er wordt gewerkt aan een zodanige hechting dat de cliënt het op een volwassen manier aandurft om te werken aan zijn frustratietolerantie, gericht op competenties en vergroten van vaardigheden die kunnen helpen bij het opbouwen van een toekomst.
In onze bijdrage bekijken wij wat de kracht van ons medium is en hoe wij dit inzetten in de behandeling.


S17.4 Forensische Assertive Community Treatment (ACT)
Annet Elst
, sociaal psychiatrisch verpleegkundige, afdeling Forensische Psychiatrie, GGZ Westelijk Noord-Brabant

Assertive: actief erop uitgaan.
Community: in de maatschappij, thuis en op straat.
Treatment: behandeling en zorg.
Door vermaatschappelijking van de zorg is een grote groep psychiatrische cliënten tussen wal en schip geraakt. Forensische ACT is noodzakelijk, omdat er behoefte is aan een intensievere vorm van ambulante (na-)zorg.
Het forensische ACT-team heeft als doelstelling: voorkomen van de instroom in het gevangeniswezen en de uitstroom uit de justitiële instellingen te voorzien van gepaste hulpverlening. Risicogedrag wordt geminimaliseerd en de detentieperiode of opnameduur wordt verminderd, wat kostenbesparend werkt.
Verbetering op diverse aspecten ten aanzien van de complexe problematiek staat op de voorgrond, het behouden van huisvesting en het kunnen vasthouden van de zorg zijn belangrijke voorwaarden om forensische zorg te leveren. Van de hulpverleners wordt een actieve en creatieve houding verwacht om de niet-gemotiveerde cliënten enigszins toch gemotiveerd te krijgen.
Een goede samenwerking en afstemming tussen de diverse betrokken instanties geldt als voorwaarde. Met name de samenwerking met justitie is essentieel. De reclassering is hierbij de bindende factor. De hulpverlener kan zijn taak naast en met de cliënt uitvoeren en beiden worden gecontroleerd door de reclassering. Het kost vaak veel moeite om bronnen zoals een strafblad, strafdossiers te achterhalen, ook hier kan de reclassering een belangrijke rol in vervullen, door de hulpverlener van het ACT-team van informatie te voorzien over de justitiële achtergronden van de cliënt.


S17.5 Het vergroten van de self-efficacy binnen de forensische psychiatrie
Dorthy Knoop
, maatschappelijk werkster i.o, afdeling Forensische Psychiatrie, GGZ Westelijk Noord-Brabant

Forensische psychiatrie is niet alleen behandelen, maar ook beveiligen en risico’s taxeren. Bovendien is de forensische psychiatrie aan vele regels gebonden, temeer omdat er ook vele instanties bij betrokken zijn. Uiteindelijk doel is echter dat cliënten weer participeren in de maatschappij, maar alleen als dit verantwoord is. Want onze primaire missie is de maatschappij te beschermen tegen delinquent gedrag. Voorgaande heeft onder andere als effect dat het gebruiken en inzetten van de eigen kracht van forensisch-psychiatrische cliënten nog in de kinderschoenen staat.
Herstelgerichte zorg maakt de laatste jaren een enorme opmars in de langdurige psychiatrie. Termen als empowerment, rehabilitatie en cliëntenparticipatie zijn actueel in ggz-land. Het is inmiddels duidelijk dat cliënten die langdurig in de geestelijke gezondheidszorg verblijven steeds meer de grip op hun leven verliezen. Ze hebben dikwijls weinig meer om handen en hun leven lijkt vaak uitzichtloos. Het staat vast dat deze cliënten veel profijt hebben bij zorg die hun herstel en gevoel van eigen kunnen vergroot.
Waar de huidige maatschappelijke ontwikkelingen bijdragen aan het negatieve stigma van de forensisch-psychiatrische cliënt (bijvoorbeeld door berichten in de media over ernstig recidiverende TBS-gestelden tijdens proefverlof), zou behandeling gericht op vergroten van de self-efficacy een middel kunnen zijn om dit negatieve stigma positief te beïnvloeden. Door de eigen kracht van de forensisch-psychiatrische cliënt aan te spreken heeft dit naast persoonlijke groei van de cliënt mogelijk goede gevolgen op het delictgedrag.
Herstelgerichte methodieken en empowerment dienen hun plaats in te nemen binnen de forensische psychiatrie. Het biedt niet alleen individuele ontwikkelingsperspectieven voor de cliënt, maar het heeft ook op collectief niveau zijn weerslag.


Symposium 18
dinsdag 14 september 2010 namiddag 16u00 - 17u30

Middelenafhankelijkheid binnen een paaz, zoveel meer dan detoxificatie!

Voorzitter: Thomas Van Hulle, afdelingspsycholoog, AZ Sint-Jan Brugge - Oostende AV, campus Sint-Jan

S18.1 Zorgtraject middelenmisbruik regio Mechelen
Frieda Matthys
, verslavingspsychiater, AZ Sint-Maarten, Mechelen; Free Clinic, Antwerpen; voorzitter VAD
Luc De Becker, AZ Sint-Maarten, Mechelen
Geertrui De Geyter, CGG De Pont, Mechelen
Joke Jespers, AZ Sint-Maarten, Mechelen
De behandeling van verslaving is een complex proces. Patiënten haken na een ontwenningsperiode vaak af op het moment van doorverwijzing naar partiële of ambulante zorg. Wachttijden, nieuwe nog onbekende hulpverleners en verschillen in behandelcultuur spelen hierin een rol.Om deze hiaten op te vullen hebben wij een zorgtraject uitgewerkt waarbij voor continuïteit gezorgd wordt, vanaf de hospitalisatie, over de dagbehandeling naar de ambulante zorg.


S18.2 Een opname-afdeling voor personen met verslavingsproblemen
Marie-Catherine Monté
, afdelingsarts VE25, AZ Sint-Jan, Brugge - Oostende AV, campus Brugge
Marieke Waignein, afdelingsarts VE25, AZ Sint-Jan, Brugge - Oostende AV, campus Brugge
Het psychiatrisch aanbod van het algemeen ziekenhuis AZ Sint-Jan Brugge-Oostende AV, campus Brugge omvat zes afdelingen, variërend van een crisis dienst over opnameafdelingen tot een dagcentrum. VE025 heeft een opnamecapaciteit van 30 bedden en richt zich vooral op mensen met een verslavingsprobleem.
We kenmerken ons door een sterk uitgebouwde ambulante zorg maar indien ontoereikend kan een patiënt voor een maximale duur van een zestal weken opgenomen worden. Bij elke opname gebeurt een uitgebreide intake en wordt er naar opnameverwachtingen gepeild. Er wordt een volgverpleegkundige toegekend die samen met twee of drie collega’s instaat voor het bewaken van het behandeltraject van de toegewezen patiënt. De patiënt wordt geïnformeerd over de werking van de dienst, de therapieën en de afdelingsregels. Na een detoxificatieperiode met aangepaste begeleiding kan de patiënt deelnemen aan de themalessen en instappen in een groepsprogramma.
De behandelfilosofie is geworteld in een systemische visie, het korte oplossingsgericht werken (Brugs model) en de bio-psycho-sociale aanpak. Motivationele gespreksvoering is een rode draad doorheen het behandeltraject.
Na een voorstelling van afdeling VE025 ‘kiezen en delen’  we twee recent gewijzigde therapieonderelen binnen ons aanbod: de Therapie Avond(T.A.) voor mensen met middelen gebonden stoornissen en hun familie ende groep C3.


S18.3 VE025, Psychotherapeutisch groepsprogramma voor mensen met een verslavingsprobleem op een paaz
Marie-Catherine Monté
, afdelingsarts VE25, AZ Sint-Jan, Brugge - Oostende AV, campus Brugge
Marieke Waignein, afdelingsarts VE25, AZ Sint-Jan, Brugge - Oostende AV, campus Brugge

VE025 is een paaz waar mensen met een verslavingsprobleem (o.a. alcohol,medicatie en drugs) gehospitaliseerd kunnen worden. De indicatie beperkt zich niet louter tot verslavingsproblemen.Een opname verloopt volgens vier stappen:
1. Lichamelijke ontwenning (met o.m. medicamenteuze schemata voor ontwenningsverschijnselen en preventie van delier).
2. Motivatie en psycho-educatie (met o.m. de themalessen)
3. Therapeutisch aanbod (C-groep, Therapieavond, Opvolgingsgroep, C3-groep, Drugbegeleidingsplan,...)
4. Nazorg
Het denkkader, de indicatiestelling en de structuur van de afdeling komen uitgebreid aan bod.


S18.4 Therapie Avond (T.A.) voor mensen met middelengebonden stoornissen en hun familie op een paaz
Heidi Peene
, hoofdverpleegkundige, AZ Sint-Jan, Brugge - Oostende AV, campus Brugge
Jean-Paul Sucaet verpleegkundige VE025, AZ Sint-Jan, Brugge - Oostende AV, campus Brugge

De T.A. is een open groep van patiënten met middelengebonden stoornissen, hun familie en steunfiguren die wekelijks samen komt rond vijf verschillende thema’s. De begeleiding gebeurt volgens het model van de korte oplossingsgerichte systeemtherapie en is ontstaan uit de klassieke werkwijze van de Multiple Family Therapy, gecombineerd met gedragstherapeutische interventies. Wekelijks wordt rond één thema gewerkt, dat zich om de zes weken herneemt. We starten de groep telkens vanuit een vooraf bepaald deel psycho-educatie en komen daarna tot een uitwisseling van ideeën en ervaringen tussen de groepsleden.
Volgende thema’s komen aan bod:
Sessie 1: Wat is verslaving en wat zijn de gevolgen van verslaving? Informatie over de kenmerken en gevolgen van verslaving, symptomen van ontwenning, vicieuze cirkels en verslavingsdriehoek.
Sessie 2: EHVO-kit (Eerste Hulp Vóór Oude gewoontes). Methodes aanreiken om anders om te gaan voor, tijdens en na gebruik.
Sessie 3: Gebruik als gewoonte. Hoe steekt de gewoonte in elkaar? Hoe veranderen we een gewoonte? De gewoontes in onze communicatie.
Sessie 4: Wat en wanneer is er een herval en hoe ga je er mee om? Nuttige tips vóór/tijdens/na herval. Richtlijnen voor mensen die op een gecontroleerde manier willen gebruiken.
Sessie 5: Groepsgesprek over vertrouwen/veranderingen. Via het werken met schaalvragen het thema vertrouwen/veranderingen werkbaar en bespreekbaar maken. De groep wordt geleid door twee verpleegkundigen van VE025, de psycholoog en de dokter assistent.


S18.5 C3, geen blinde vlek voor de toekomst! Ontwikkeling,implementering en uitbouw van een psychotherapeutisch groepsprogrammavoor mensen met een chronisch alcoholprobleem op een paaz
Thomas Van Hulle
, afdelingspsycholoog, AZ Sint-Jan, Brugge - Oostende AV, campus Brugge
C3 is ontstaan als een ‘experimentele groep’ in het voorjaar van 2001. Twee centrale kenmerken typeren onze doelgroep:
1. Een "myopia for the future" ("een blinde vlek voor de toekomst"). Hervalmanagement is bij deze cliënten moeilijk omdat zij geen toekomstprojectie maken.
2. Drinken wordt gezien als een beperking. Binnen C3 zien wij alcoholgebruik als een falende oplossingsstrategie.
Een trajectbegeleiding van een C3-cliënt kan maximum zes weken in opname op een verpleegafdeling bedragen en maximum drie maanden ononderbroken op het dagcentrum. De doelstelling van C3 is deze cliënten te begeleiden via een gestructureerd programma met als uitgangspunt het opstellen van week- en weekend doelstellingen waarbij gebruik gemaakt wordt van hun overlevingsresources.
Het programma is opgebouwd rond een framework van activiteiten die wekelijks terugkomen zoals: fitness, groepsgesprekken, ergo groepsactiviteiten, bewegingsactiviteiten en een planningssessie. In elk van deze therapieonderdelen wordt gepoogd zo snel mogelijk de link te leggen met de buitenwereld buiten de ziekenhuismuren.
Wat we merken is dat de heropnames van cliënten, die vroeger als chronische probleemdrinkers werden beschouwd, sterk dalen. Met de oprichting van C3 krijgen we bij een ‘vergeten’ of ‘opgegeven’  doelgroep toch een zekere dynamiek die aanstuurt op verandering en herstel met opnieuw een link naar de maatschappij.


Symposium 19
dinsdag 14 september 2010 namiddag 16u00 - 17u30

Psycho-oncologie: kiezen voor laagdrempelige zorg op maat van patiënten met een oncologische problematiek en hun naasten

Voorzitter: Let Dillen

S19.0 Inleiding
Let Dillen
, wetenschappelijk medewerker, Zorgprogramma Oncologie, Universitair Ziekenhuis Gent

De prevalentie van kanker is hoog. In 2005 werden in België 57.185 nieuwe diagnoses van kanker gesteld (exclusief non-melanoma huidkanker). De diagnose van kanker is een gebeurtenis die niet enkel de patiënt zelf aangrijpt maar tevens de familie en omgeving. De patiënt en zijn omgeving worden geconfronteerd met de uitdaging om te gaan met de bedreiging en onzekerheid van het ziekteproces en met de fysieke en emotionele gevolgen van de ziekte en de behandelingsmodaliteiten. Psychosociale zorg voor de patiënt en zijn omgeving krijgt meer en meer aandacht, onder andere in de vorm van psycho-oncologische zorg. Dit symposium beschrijft de specificiteit van de psycho-oncologische zorg voor de verschillende doelgroepen in de oncologische praktijk, m.n. volwassenen, kinderen, en jongvolwassenen; patiënten en naasten. Hiertoe worden vier onderzoeksprojecten vanuit het UZ Gent voorgesteld die kaderen binnen het beter in kaart brengen van de psychologische noden en welzijn van personen die kanker hebben en hun omgeving. In een eerste studie wordt er gefocust op emotionele expressie bij oncologische patiënten en hun partners. Een tweede studie gaat dieper in op de cognitieve klachten die men vaak ervaart tijdens en na kanker. In een derde studie wordt de emotionele beleving van kinderen van ouders met kanker nader bekeken. In de laatste studie wordt aan de hand van kwalitatief onderzoek bij jongvolwassenen met kanker en hun mantelzorgers inzicht gegeven in de aard van psychosociale noden en problemen waar zij tegen aanlopen.


S19.1 Emotionele expressie en welbevinden bij personen met kanker en hun partner
An Lievrouw
, Zorgprogramma Oncologie, UZ Gent

Expressie van emoties wordt vaak gezien als een noodzakelijke voorwaarde voor de verwerking van schokkende gebeurtenissen en wordt dikwijls als centrale motor beschouwd van psychotherapeutische interventies. De psycholoog James Pennebaker ging nog een stap verder en stelt in zijn emotional disclosure-paradigma dat expressie van emoties een belangrijke impact heeft op de fysieke gezondheidstoestand.
Uit onderzoek blijkt echter ook dat expressie van negatieve emoties dikwijls een nefast effect heeft. Het uiten van boosheid bijvoorbeeld kan soms bijdragen tot de verwerking van die gevoelens, maar kan eveneens leiden tot nog meer boze gevoelens. Maar wat als mensen niet instaat zijn hun gevoelens te verwoorden of niet geneigd zijn dat te doen? We delen de mate van emotionele expressie op in deelconstructen ‘alexithymie’ en ‘emotionele disclosure’ ten aanzien van significante anderen, zoals de partner. Hebben bovendien discrepanties in de koppels aangaande het in staat zijn gevoelens te verwoorden of aangaande de behoefte gevoelens te delen effecten op welbevinden? Aan de hand van de onderzoeksresultaten kunnen we nauwkeuriger in kaart brengen welke psychosociale behoeften oncologische patiënten en hun partner hebben inzake emotionele expressie en ondersteuning en kunnen we psychosociale zorg gerichter afstemmen.

S19.2 Cognitieve disfunctie en coping bij vrouwen met borstkanker
Wim Schrauwen
, Zorgprogramma Oncologie, UZ Gent

In Vlaanderen worden jaarlijks ongeveer 6.000 vrouwen gediagnosticeerdmet borstkanker. Met de huidige detectie- en behandelingsmogelijkheden is het overlevingspercentage gevoelig gestegen. Ondanks inspanningen om nadelige bijeffecten van behandeling te reduceren, blijven sommige negatieve gevolgen aanwezig tot jaren na behandeling. Tot deze negatieve gevolgen behoort de door vele patiënten gerapporteerde verstoring van de cognitieve functie. Deze storing toont zich vooral in de vorm van moeilijkheden om informatie op te nemen en te onthouden, een verminderd vermogen zich te concentreren en kan tot jaren na behandeling aanwezig blijven. Deze eerder subtiele stoornissen beïnvloeden bovendien niet enkel het denken zelf, maar ook het psychologisch welbevinden en het vermogen om zelfstandig en autonoom dagelijkse activiteiten te verrichten.
Naast deze verstoringen rapporteren veel kankerpatiënten te piekeren over de onzeker aangevoelde toekomst, te rumineren over het verlorene, en kwaad te blijven bij de vermeende onrechtvaardigheid van ziek te zijn. Dergelijke persevererende denkpatronen zijn een gemeenschappelijke eigenschap in een aantal negatieve affectieve toestanden, zoals angsten depressie. Met dit onderzoek willen we nagaan welke rol dit persevererend denken speelt in het omgaan met de kankerdiagnose, de angst voor de (onzekere) toekomst en de cognitieve klachten bij borstkankerpatiënten.


S19.3 De beleving van kinderen rond kanker bij hun ouder
Let Dillen
, wetenschappelijk medewerker, Zorgprogramma Oncologie, Universitair Ziekenhuis Gent
Wanneer een ouder gediagnosticeerd wordt met kanker, verandert er vaak veel voor de kinderen. Zij worden geconfronteerd met stress bij hun ouders, met heel wat onzekerheid, en met veel concrete veranderingen in hun dagelijks leven. Hoe kinderen en jongeren omgaan met parentale kanker en wat de impact daarvan is, is echter weinig gekend. De huidige kwalitatieve studie beoogt inzicht te verwerven in de beleving van kinderen rond de diagnose van kanker bij hun ouder, de behandeling en de gevolgen. Hiertoe worden semi-gestructureerde interviews afgenomen bij kinderen en jongeren (8-18 jaar) waarvan een ouder kanker heeft (gehad). Thema’s die op basis van de interviews gedestilleerd werden worden zullen in deze bijdrage toegelicht, evenals de implicaties voor de psycho-oncologische praktijk.


S19.4 De implementatie van een patiëntgeörienteerd zorgpad voor jongvolwassenen met kanker en hun directe omgeving
Anneleen Raes
, Zorgprogramma Oncologie, UZ Gent
Nathalie Belpame, Zorgprogramma Oncologie, UZ Gent
Marijke Quaghebeur, Zorgprogramma Oncologie, UZ Gent

Binnen het psychosociale zorgaanbod voor kankerpatiënten vallen jongvolwassenen (15-25 jaar) tussen schip en wal. Te oud voor specifieke kinderoncologische zorg, raken ze verspreid over vele afdelingen die zich bezighouden met oncologische zorg voor volwassenen. Daarmee is meteen helder dat specifieke expertise voor deze leeftijdsgroep binnen de diverse afdelingen lastig op te bouwen is. Daarenboven liggen hun noden en problemen anders dan bij andere doelgroepen. Jongvolwassenen bevinden zich immers in een levensfase waarin ze op het punt staan om belangrijke beslissingen in hun leven te nemen op het gebied van studie, relatie en zelfstandig wonen. Ze worden onafhankelijk van hun ouders en krijgen op verschillende vlakken een andere maatschappelijke positie. De diagnose kanker heeft op al deze terreinen belangrijke consequenties.
De huidige studie beoogt via kwalitatief onderzoek bij 20 jongvolwassenen met kanker en hun directe omgeving zicht te krijgen op de aard van de psychosociale noden en problemen waar deze jongeren tegenaan lopen.
In de bijdrage wordt stilgestaan bij de resultaten van de interviews met de jongvolwassenen en de implicaties ervan voor een patiëntgerichte en efficiënte zorgverlening zowel intra- als extramuraal.


Symposium 20
woensdag 15 september 2010 voormiddag 9u15 - 10u45

Hoe gezinsvriendelijk is onze geestelijke gezondheidszorg?

Voorzitter: Mieke Craeymeersch

S20.0 Inleiding
Mieke Craeymeersch
, directeur, Similes, Heverlee

Onze geestelijke gezondheidszorg is erg verstrengeld met het medisch discours en waarden als privacy en individualisme staan in ons zorgsysteem hoog aangeschreven. Maar hoe rijm je dit met een gezinsvriendelijk zorgperspectief? Zijn respect voor het individu te rijmen met een gezinsvriendelijke zorg? Hoe ziet een gezinsvriendelijke hulpverlener er uit? Vlaanderen telt een aantal goede praktijkvoorbeelden van gezinsvriendelijke zorg. Het CAT Preventiehuis uit Gent won in november 2009 de eerste gezinsvriendelijke geestelijke gezondheidszorg-prijs, afgekort de G3-prijs. Wat maakt hen zo bijzonder?


S20.1 Werken met families geeft betere zorg
Mieke Craeymeersch
, directeur, Similes, Heverlee

De tijden waarin gezinnen beschuldigd werden van het ziek maken van een gezinslid liggen deels achter ons. Er is zelfs wetenschappelijke grond die zegt dat een gezin best wel nuttig kan zijn voor het herstelproces van de patiënt. Naast deze op wetenschappelijk onderzoek gesteunde bevindingen zijn er de practice-based ervaringen van patiënten en hun gezin. Sommige familieleden getuigen over hulpverleners die medestanders zijn van het gezin, en over het groot belang hiervan voor hun ziek familielid en het gezin. Anderen getuigen hoe hulpverlening hen als familie niet betrekt en hoe ze zich als gezin in de kou voelen staan. De frustratie hierover draait dan niet alleen over het feit dat de eigen noden van de gezinsleden niet gezien worden, maar vooral dat volgens de familieleden hun psychisch ziek gezinslid hiervan de dupe is. Gezinnen voelen zeer goed aan dat indien zijzelf niet geinformeerd, betrokken en gesteund worden, dit een negatieve weerslag heeft op het herstelproces van hun ziek gezinslid. In hun beleving worden dan lang niet alle kansen en mogelijkheden in de strijd tegen de psychische aandoening benut.
We staan stil bij het wetenschappelijk aangetoond belang van verschillende familie-interventies zoals psycho-educatie voor familieleden, familiegroepen en gezinsbegeleiding. We geven een aantal tips mee gebaseerd op ervaringen van familieleden en die geformuleerd werden op het laatste familiecongres van Similes in 2009.


S20.2 De 10 geboden voor een gezinsvriendelijke hulpverlener
Dirk De Wachter
, psychiater, familietherapeut, Beschut Wonen De Hulster, Leuven

In deze bijdrage probeer ik een persoonlijke visie te geven op wat ik denk dat een ‘goede’ hulpverlener zou moeten zijn.
De gezinsvriendelijkheid is hiervan een onlosmakelijk en noodzakelijk aspect. Ik presenteer een aantal geboden, die meer intuïtief dan wetenschappelijk tot stand kwamen.
Ze zijn geen dogmatische stellingen (dat zou in grove tegenstelling zijn met de geboden zelf), maar basis voor discussie en verdere dialoog.
De volgende punten passeren de revue: 1. niet schaden (het enige negatief geformuleerde gebod, een verbod dus), 2. wees duidelijk 3. weescontextgericht 4. wees actief 5. wees concreet 6. wees breeddenkend 7.wees passioneel 8. wees positief 9. wees bescheiden 10. wees persoonlijk.


S20.3 Voorstelling van het CAT Preventiehuis en het gezinsperspectief De noden van gezinsleden vertaald in een begeleidingsaanbod
Thomas Van Reybrouck
, psycholoog, systeemtherapeut, ouder- en partnerbegeleider, CAT Preventiehuis, Gent

’Als uw zoon zelf niet wil komen, kunnen we niets doen’. Lange tijd waser alleen aandacht voor de druggebruiker, ouders hadden vaak het gevoelin de kou te blijven staan. Sinds 1997 ontwikkelde het CAT (deelwerkingverslaving van cgg Eclips) te Gent een permanent aanbod voor ouders en partners van druggebruikers en probleemdrinkers.
We nemen de klachten en noden van gezinsleden onder de loep, gaan dieper in op de begeleidingen die in het centrum plaatsvinden en staan stil bij de voorwaarden die dienen vervuld te zijn om met familieleden aan de slag te gaan.
We geven een aantal aandachtspunten mee om met families te werken in de setting van drughulpverlening en in andere sectoren van de geestelijke gezondheidszorg.

Symposium 21
woensdag 15 september 2010 voormiddag 9u15 - 10u45

Outreaching door de centra voor geestelijke gezondheidszorg

Voorzitter: Ann Vranckx

S21.0 Inleiding
Ann Vranckx
, stafmedewerker, Horizon-Taal, i.o. CGG VBO, Leuven

De centra voor geestelijke gezondheidszorg (cgg) in Vlaanderen kregen eind 2008 bijkomende structurele middelen met als doelstelling de toeleiding van en naar zorg van senioren, kinderen en jongeren in voorzieningen in bijzondere jeugdbijstand en gedetineerden te verbeteren. De overheid stelt hier een outreachende werkmethode voorop. Van de centra wordt verwacht dat zij actief initiatieven ondernemen om in contact te komen met de doelgroep, luisteren welke de noden zijn, in functie hiervan zorg aanbieden en/of toeleiden naar zorg. Ook het bieden van zorg op verplaatsing, wordt door de overheid als outreaching bestempeld. Het cgg besteedt hierbij niet alleen aandacht aan de cliënten zelf maar ook aan de professionele en niet-professionele context.

S21.1 Outreaching bij jongeren in bijzondere jeugdbijstand: Zorg-Saam cgg-bjb
Vanessa Maes
, klinisch psycholoog, CGG PassAnt, Halle
Raf Opstaele, directeur, Regionaal Centrum Geestelijke Gezondheidszorg Deinze-Eeklo-Gent
Linda Aerts, ondersteuning regioteam, IJH, Leuven

De jongeren uit bijzondere jeugdbijstand zijn in de cgg geen aparte inhoudelijke doelgroep maar maken deel uit van de doelgroep "kinderen en jongeren". Binnen de kinderteams is via het reguliere aanbod voldoende deskundigheid aanwezig en ontwikkeld rond veel voorkomende problematieken waar kinderen en jongeren in pos- of mof-situaties meekampen. De expertise rond jongeren uit bijzondere jeugdbijstand en de samenwerking hangt echter nog (te) vaak samen met het persoonlijke netwerk, expertise en interesse van de medewerker. De outreachende opdracht van de overheid is een belangrijke hefboom met het oog op een culturele en structurele verankering.
In deze bijdrage wordt ingegaan op de concrete implicaties van het outreachend werken in de specifieke context van bijzondere jeugdbijstand en dit zowel op vlak van de hulpverlening als beleidsmatig.


S21.2 Outreaching bij gedetineerden
Jef Bogaerts
, klinisch psycholoog, CGG VAGGA, Antwerpen
Wim Wouters, directeur, CGG Kempen, Geel

De cgg-werking bij gedetineerden was een relatief nieuwe opdracht voor de meeste cgg. Alle betrokken cgg werkten in eerste instantie met gedetineerden, onder welk statuut ook (verdacht, beschuldigd ofveroordeeld). Meerdere cgg opteerden ervoor een aanbod voor specifieke doelgroepen uit te werken, vaak als resultaat van overleg met andere partners in de gevangenis en rekening houdend met lokale noden. Minder eenduidig was de houding tegenover de geïnterneerden. Het was voor meerdere cgg niet duidelijk in welke mate werd verwacht dat zij - voor de subdoelgroep geïnterneerden die in de gevangenis verblijft - een cgg-aanbod zouden uitwerken, gelet op de aanwezigheid van de zorgteams binnen de gevangenis die specifiek met deze opdracht zijn belast. Een kleine minderheid van de cgg was hierrond toch actief.
In deze bijdrage wordt ingegaan op wat het concreet betekent om outreachend te werken in een gevangenis. Er wordt stilgestaan bij het hulpverleningsaanbod zelf, de mogelijke meerwaarde van het cgg en de wijze waarop dit zal verschillen al naar gelang het perspectief vanwaaruit dit vertrekt.


S21.3 Outreaching t.a.v. senioren: Oud is in!
Kim Van Beylen
, psychologe, CGG PassAnt, Leuven
Frank Delbeke, psycholoog, DAGG, Sint-Truiden
Mimi Deboiserie, , directeur, CGG PassAnt, Leuven
Luc Van de Ven, psycholoog, afdeling psychiatrie en psychotherapie, UZ Gasthuisberg, KULeuven
Roel Van de Wygaert, stafmedewerker, Zorgnet Vlaanderen, Brussel

Outreaching door de cgg rond senioren werd, conform de bepalingen van de omzendbrief, in de eerste plaats opgenomen in de woon- en zorgcentra. Alle ouderenteams namen hierbij taken op inzake intake, diagnose en indicatiestelling, begeleiding en therapie, mediatie, informatie- en adviesverstrekking. De meeste cgg stemden hun aanbod af op wat er reeds aan ggz beschikbaar is in de streek. Dit heeft zowel impact op het inhoudelijke aanbod als op de organisatie van de zorg.
In deze bijdrage wordt ingegaan op de verwachtingen van de vraagzijde. Deze zijn gevarieerd, omvangrijk en hooggespannen. Vervolgens wordt een aanzet gegeven over wat dit impliceert op vlak van de kerntaken van het cgg. De cgg staan hierbij voor een belangrijke uitdaging: hooggespecialiseerde zorg laagdrempelig aanbieden, zowel voor de oudere, als zijn of haar context: de familie, de mantelzorger en de professionele omgeving.


S21.4 Outreaching door de cgg: twee jaar later
Jan Mampuys
, voorzitter samenwerkingsoverleg etnisch-culturele minderheden, netwerkcoördinator regio Brussel
Ann Moens, stafmedewerker, Zorgnet Vlaanderen, Brussel

Het symposium wordt afgerond met een kort overzicht over de wijze waarop de FDGG en Zorgnet Vlaanderen de cgg ondersteunen bij het opnemen van deze nieuwe opdrachten.

Symposium 22
woensdag 15 september 2010 voormiddag 9u15 - 10u45

Afstand-nabijheid binnen de muziektherapeutische relatie

Voorzitter: Daisy Varewyck

S22.0 Inleiding
Daisy Varewyck
, muziektherapeute, eindredacteur tijdschrift muziektherapie, BMT, Heverlee

Tijdens dit symposium geven drie muziektherapeuten een gevalsstudie uit hun eigen praktijk weer, met specifieke aandacht voor de muziektherapeutische relatie tussen patiënt en therapeut. Vanuit de overdrachtsrelatie kiezen zowel patiënt als muziektherapeut om binnen een improvisatie een bepaalde weg in te slaan. Wordt er gekozen om samen muziek en harmonie te beleven, of kiest de patiënt/therapeut om bepaalde klanken net niet te delen?
Binnen de muziektherapie is het de muziek die vormgeeft aan het verhalen de belevingen van wat er al dan niet "leeft" bij de patiënt. Terug leren spelen, spelen als exploreren, uitzoeken, oefenen, proberen, vormgeven staat centraal. Net zoals het kind zich een weg baant in de wereld en zichzelf deze wereld geleidelijk toeeigent, zo kan de patiënt al musicerend op zoek gaan. Op zoek naar zichzelf, op zoek naar zijn eigen verhaal, op zoek naar nieuwe belevingen en ervaringen... Het is als muziektherapeut dan ook een soort plicht om patiënten een kans te bieden terug te leren spelen en hun muziek mee vorm of structuur te geven.
Het is een voordeel - of is het net een moeilijkheid? - dat de muziektherapeut meespeelt met de patiënt en bijgevolg simultaan "spreekt". Binnen de onmiddellijkheid van de muziek maakt de muziektherapeut intuïtief en onbewust en vanuit de overdrachtsrelatie bepaalde keuzes.
Tijdens de drie bijdragen staan de muziektherapeuten stil bij de ‘goede’ en de ‘slechte’ keuzes die zij maken binnen het muziektherapeutisch proces.


S22.1 Het “gevaar” van de tegenoverdracht. Over de symbiotische relatie met een manisch-psychotische man
Daisy Varewyck
, muziektherapeute, eindredacteur tijdschrift muziektherapie, BMT, Heverlee

Deze gevalsstudie beschrijft het muziektherapeutisch proces van een manisch-psychotische man die gedwongen wordt opgenomen. Bij opname vertoont de patiënt op de afdeling zeer grensoverschrijdend gedrag. De enige mogelijke toegangspoort voor het team is de muziektherapie omwille van de gemeenschappelijke interesse voor klassieke muziek met de muziektherapeute.
In tegenstelling tot het uitbundige gedrag op de afdeling, slaagt de patiënt erin om binnen de muziektherapie op een constructieve manier te werken en zijn ondraaglijke innerlijke belevingen naar buiten te projecteren op een uiterst kwetsbare manier. Binnen de improvisaties is het duidelijk hoe de patiënt muzikaal appèl doet op de therapeute met als resultaat een muzikaal symbiotisch spel. Vanuit de idee dat de patiënt zich op een constructieve, maar pijnlijke manier via de muziek weet uit te drukken, besluit de muziektherapeute het symbiotische spel toe te laten. Doorheen het proces wordt het aanvankelijke verlangen van de patiënt omgezet in een moeilijk kunnen loslaten van de muziektherapeute. De moeilijkheden en keuzes van de muziektherapeute worden in deze gevalsstudie verder uitgewerkt.


S22.2 Het muziektherapeutisch proces in de residentiële behandeling van jongeren met een afhankelijkheidsprobleem. Deel van het geheel?
Marijke Schotsmans
, muziektherapeute, BMT, Heverlee

Na een korte uitleg over de plaats van muziektherapie binnen het behandelingsprogramma van de jongeren op afdeling Pathways, wordt het muziektherapeutisch proces van Thomas beschreven. Thomas’ parcours binnen de muziektherapie is sterk verschillend van zijn houding en gedrag in de leefgroep op de gesloten afdeling van het ziekenhuis. De gescheiden situatie van zijn ouders, en zijn uitdrukkelijke splitsing tussen goed en kwaad, vinden ook uitdrukking binnen het behandelende team. De diversiteit in de houding van de hulpverleners ten opzichte van Thomas is groot. Ook hier is goede communicatie enerzijds en het bieden van voldoende professionele ruimte aan elkaar van groot belang voor een optimaal behandelproces van Thomas.


S22.3 Afstand nemen van esthetiek om dichterbij te komen bij authenticiteit
Mieke Van Uytvanck
, muziektherapeute, UPC KULeuven, campus Kortenberg

Tijdens deze gevalsstudie wordt Lucas besproken. Hij is een zeer muzikale man. Hij heeft het syndroom van Gilles de la Tourette en wordt opgenomen omwille van excessief middelenmisbruik. Zijn tics situeren zich op het niveau van de stem: op zeer onregelmatig basis slaakt hij schreeuwen uit. De laatste vijftien jaren leefde Lucas een zeer destructieve levensstijl waarbinnen middelenmisbruik, muziek en weinig slapen de hoofdmodus zijn. Het middelenmisbruik startte vanuit een zoektocht naar het stillen van zijn tics. Omwille van zijn muzikale achtergrond, wordt muziektherapie geïndiceerd. Lucas zingt of zong in een rockgroep.
De muziektherapie start in individuele sessies, éénmaal per week. Binnen zijn muziektherapeutische proces kan een evolutie van een puur esthetische - eerder imitatieve - zangstijl naar een meer authentieke zangstijl worden aangetoond. Vanuit supervisie wordt duidelijk dat de muziektherapeut tijdens de sessies met Lucas niet op een authentieke manier kan luisteren. Pas door de confrontatie in de supervisie kan erdoor de afstand die de muziektherapeut neemt van het musiceren van Lucas, ook een verandering ontstaan in zijn musiceren.

Symposium 23
dinsdag 14 september 2010 namiddag 14u00 - 15u30

Een multidisciplinaire liaisonpsychiatrie: klinische en organisatorische uitdagingen

Voorzitter: Gilbert Lemmens

S23.0 Inleiding
Gilbert Lemmens
psychiater, adjunct-kliniekhoofd, Universitaire Dienst Psychiatrie, UZ Gent; voorzitter commissie opleiding VVP

Het belang van een goede psychosociale zorg in de algemene en universitaire ziekenhuizen neemt de laatste decennia gestaag toe. Echter, de manier waarop deze zorg wordt georganiseerd, verschilt sterk naargelang de verschillende ziekenhuizen en zelfs naargelang de verschillende somatische afdelingen van een ziekenhuis. Met dit symposium worden een aantal organisatorische, financiële en klinische handvatten aangereikt voor een efficiënte multidisciplinaire liaisonpsychiatrische zorg.


S23.1 Impact van de psychiatrische diagnostiek op verantwoorde ligdag bij een somatische pathologie
Gilbert Lemmens
psychiater, adjunctkliniekhoofd, Universitaire Dienst Psychiatrie, UZ Gent; voorzitter commissie opleiding VVP
Psychiatrische comorbiditeit is een frequent voorkomend probleem bij opgenomen patiënten op somatische afdelingen. Het resulteert vaak in een slechtere prognose, een gebrekkige behandeltrouw en een langere verblijfsduur in het ziekenhuis. Een grondige MKG-registratie van deze comorbiditeit is essentieel om aanspraak te kunnen maken op de juiste middelen voor een adequate behandeling van deze patiënten. Psychiatrische comorbiditeit kan de severitygraad verhogen, en aldus het aantal verantwoorde ligdagen beïnvloeden. Bovendien kan de uitbouw van een efficiënte liaisonpsychiatrische werking de performantiegraad van het ziekenhuis verhogen.

S23.2 Organisatorische aspecten van multidisciplinaire psychosociale zorg in algemene ziekenhuizen: ‘Microsystems’-methodologie als een middel om kwaliteit van zorg te verbeteren
Guido Van Hamme
, teamcoördinator dienst psychologie, Ziekenhuis Oost-Limburg, Genk
Jef De Bie, liaisonpsychiater, afdeling psychiatrie, Ziekenhuis Oost-Limburg, Genk

De aandacht voor psychosociale zorg in algemene ziekenhuizen is het afgelopen decennium sterk toegenomen. Dit toont zich niet alleen in een groeiende equipe van o.a. sociaal werkers en psychologen, maar ook in een grotere diversiteit aan disciplines (bv. verpleegkundigspecialisten). Om al deze actoren efficiënt en kwalitatief hoogstaand in te zetten dringt de aanwezigheid van een aangepast organisatiemodel zich steeds meer op. Er bestaan op heden echter geen aanbevelingen of guidelines over hoe psychosociale zorg dient georganiseerd te zijn. Bijgevolg bestaan er tussen de ziekenhuizen in de praktijk dan ook grote verschillen.
In deze bijdrage wordt verslag uitgebracht van een recent gevoerd onderzoek, waarbij een tiental Belgische ziekenhuizen aan de hand van de ‘clinical microsystems’-methodologie uitvoerig bevraagd werden naar hun organisatiemodel van psychosociale zorg. Op basis van de resultaten en getoetst aan de beschikbare wetenschappelijke literatuur, worden enkele adviezen geformuleerd om tot een uniformere en efficiëntere organisatie van psychosociale zorg te komen.


S23.3 Effect van het Multidisciplinair Liaison Psychiatrisch Team op deaanpak van psychiatrische problemen door de somatische hulpverleners ineen universitair ziekenhuis
Tom De Keyser
, hoofdverpleegkundige, Universitaire Dienst Psychiatrie, UZ Gent
Gilbert Lemmens psychiater, adjunct-kliniekhoofd, Universitaire Dienst Psychiatrie, UZ Gent; voorzitter commissie opleiding VVP

Recente studies tonen een belangrijke aanwezigheid (tot 25%) van psychiatrische comorbiditeit bij patiënten op somatische afdelingen. Ook blijkt dat de somatische hulpverlener vaak onvoldoende kennis en expertise in huis heeft om deze problemen adequaat aan te pakken.
Het huidig onderzoek heeft als doelstelling de expertise in de aanpak van psychiatrische problemen door de somatische verpleegkundige te onderzoeken. Alle leidinggevenden en één op vier verzorgende verpleegkundigen van het UZ Gent worden gevraagd naar hun competentie, communicatieve vaardigheden, kennis, behandelstrategieën, en copinggedrag ivm de aanpak van psychiatrische problemen op hun afdelingen. Verder wordt nagegaan of de introductie van het multidisciplinair liaisonpsychiatrisch team, bestaande uit psychiaters, een psycholoog, psychiatrisch verpleegkundigen en een sociaal werker, de expertise van de somatische verpleegkundigen verhogen. De resultaten van dit onderzoek worden voorgesteld.


S23.4 Medicamenteuze aanpak van delirante oudere patiënten: een overzicht van de evidentie
Hans Debruyne
, psychiater, Universitaire Dienst Psychiatrie, UZ Gent
Dirk Van den Abbeele adjunct – kliniekhoofd, Universitaire Dienst Psychiatrie, UZ Gent
Gilbert Lemmens psychiater, adjunct-kliniekhoofd, Universitaire Dienst Psychiatrie, UZ Gent; voorzitter commissie opleiding VVP

Delirium of acute verwardheid komt zeer frequent voor bij opgenomen patiënten, vooral bij ouderen. De prevalentie wordt binnen het algemeneziekenhuis op 14-24% geschat. Incidentiecijfers tot 70-87% worden zelfsvermeld bij ouderen op een eenheid intensieve zorgen. Een deficiënt echolinerge neurotransmissie wordt binnen de pathofysiologie naar voren geschoven. Dit kan echter via multiple oorzaken tot stand komen.
De behandeling is in eerste plaats oorzakelijk georiënteerd. Hierbij is een niet farmacologische aanpak essentieel. Bij ernstige gedragsproblemen is er vaak de noodzaak tot farmacotherapeutisch interveniëren. In de literatuur zijn weinig gerandomiseerde, gecontroleerde studies beschikbaar waardoor de huidige praktijk vooral gebaseerd blijft op gevalsbeschrijvingen en retrospectief onderzoek.
In deze bijdrage geven we een overzicht van wetenschappelijke evidentie voor de verschillende beschikbare psychofarmaca bij de behandeling van het delier bij ouderen.


Symposium 24
woensdag 15 september 2010 voormiddag 9u15 - 10u45

Zorgtraject voor patiënten met een persoonlijkheidsstoornis in Noord West-Vlaanderen. Vergroten van continuïteit in informatieverstrekking en zorgaanbod

Voorzitter: Filip Desmit

S24.0 Psychiatrische problemen bij verstandelijk gehandicapten: Genetische aanleg of omgevingsfactoren?
Filip Desmit
, klinisch psycholoog, directeur zorgverlening, CGG Noord West-Vlaanderen, Brugge
Hilde Vanderheyden, kliniekpsychiater kliniek persoonlijkheidsstoornissen en depressie, PZ Onze-Lieve-Vrouw, Brugge
In de regio Noord West-Vlaanderen werd de voorbije jaren door het CGG Noord West-Vlaanderen en PZ Onze-Lieve-Vrouw Brugge een zorgtraject uitgebouwd voor patiënten met een persoonlijkheidsstoornis.
In de uitwerking van het project werd bewust gekozen om te starten met empirisch onderbouwde behandelmodellen vanuit de (cognitieve)gedragstherapie. De schemagerichte benadering en de dialectische stroming zijn complementair binnen de cognitieve visie op persoonlijkheidspathologie. De therapeutische tools en therapieën die eruit voortvloeiden vullen elkaar aan: ze focussen immers op verschillende aspecten van de persoonlijkheidsstoornis. Op basis van deze bevinding werd een gezamenlijke theoretische behandelvisie ontwikkeld. Een tweede bevinding was de nood om de verschillende behandeltrajecten te ordenen in een gefaseerde format. Deze ordening is geïnspireerd op de hiërarchieën van behandeldoelen uit de twee vernoemde modellen. De specifieke indicatiestelling per fase werd beschreven aan de hand van de betreffende indicatoren van de blauwdruk. Deze format was bepalend bij de implementatie van het behandelaanbod in een 'ideaal zorgcircuit'.
Vanuit deze gedeelde theoretische basis werd het behandelaanbod binnen beide voorzieningen aangepast en uitgebreid, met oog voor verschillende modaliteiten. Om zowel de theoretische visie alsook het behandelaanbod te bewaken is er voortdurend overleg tussen de twee voorzieningen, zowel op patiëntenniveau als wat betreft de inhoud van het zorgaanbod.


S24.1 Indicatiestelling als start van het zorgtraject
Tine Willems
, psycholoog, Kliniek 4, PZ Onze Lieve Vrouw, Brugge

De nood aan een voorzieningen overstijgend indicatiestellingsgebeuren was vrij vroeg duidelijk, zowel in zijn vormelijke aspecten (o.a. de oprichting van het gemeenschappelijk indicatiestellingsteam) als in de ontwikkeling van een uniform inhoudelijke instrument voor indicatiestelling (de ‘blauwdruk’).
Deze indicatiestelling omvat uitspraken over de volgende aspecten: 1) is er nood aan een veranderingsgericht dan wel een stabilisatie traject? 2) welke noden worden gedetecteerd en in welke behandelfase hoort een patiënt thuis 3) welke type behandeling zorgt voor de beste fit bij de weerhouden noden 4) setting: ambulant, semi residentieel(dagbehandeling), residentieel en 5) modaliteiten: groep versus individueel, full-time versus partieel, dagelijks….
De uitgewerkte blauwdruk doet eerst en vooral dienst als heuristiek om alle relevante informatie voor de indicatiestelling in kaart te brengen. Een semi-gestructureerde handleiding voor het invullen van deze blauwdruk werd ontwikkeld. De beide organisaties integreerden dit instrument in hun specifieke aanmeldings- en intakes procedures. Daarenboven doet de blauwdruk dienst als een a-theoretische, discipline-overstijgend ordeningssysteem van klachten, problemen en psychologische profielen. De casus wordt op deze manier voorgesteld op het indicatiestellingsteam. Ten derde gebruiken we de blauwdruk ook als een dynamisch instrument om procesinformatie uit de lopende behandeling te communiceren aan de verschillende behandelaars: wijzigingen en nieuwe informatie worden aan de blauwdruk toegevoegd en meegegeven op het gemeenschappelijke behandelteam.


S24.2 Focus op fases 1 en 2 : verandering van disfunctionele gedrag en aanleren van psychosociale vaardigheden in therapie en in de(natuurlijke) omgeving
Bart Durnez
, psycholoog, gedragstherapeut, PZ Onze Lieve Vrouw, Brugge

Tijdens de eerste fase ligt de focus o.a. op het verwerven van allerlei praktische en psychosociale vaardigheden. Het toepassen en implementeren van de verworven vaardigheden in een therapeutisch milieu is één van de behandeldoelstellingen tijdens fase 2.
Voor het bereiken van deze veranderingen steunen we in sterke mate op elementen uit de dialectische gedragstherapie (dgt) van Marsha Linehan(o.a de psychosociale vaardigheidstraining). Binnen het zorgtraject gingen we op zoek naar de implementatie van dit model naar de klinische praktijk. Dit resulteerde in de uitwerking van een aantal behandelmodules die elk op hun manier een bepaalde implementatie zijn van het dgt-gedachtengoed, afhankelijk van de fase binnen het traject en verschillend qua setting, duur, intensiteit, frequentie, modaliteiten en subdoelstellingen ….
De concrete werking van het zorgtraject tijdens deze fasen wordt voorgesteld aan de hand van een aantal van deze modules (o.a. ambulante vaardigheidstraining, semi residentieel Linehan groepsprogramma) bij fase1 en 2. We bespreken de indicatoren voor deze fases van het zorgtraject, de vertaling van de gefaseerde doelstellingen in de klinische praktijk en verantwoorden hierdoor de verschillen qua implementatie en verscheidenheid aan behandelmodules binnen het aanbod. Ten slotte verwoorden we een aantal opties voor de verdere uitwerking van het zorgaanbod.


S24.3 Focus op fases 2 en 3: Verandering van disfunctionele schema’s in een therapie en in de natuurlijke omgeving
Fanny Dumarey
, psycholoog, gedragstherapeut, CGG Noord West-Vlaanderen, Brugge

Binnen de tweede en derde fase van het zorgtraject ligt de focus op de verandering van disfunctionele schema’s, in een therapeutische omgeving (tweede fase) en in de eigen, natuurlijke omgeving (derde fase). Hierbij bouwen we verder op de in de eerste fase verworven vaardigheden en inzichten.
Voor het bereiken van deze veranderingen steunen we in sterke mate op de schematherapie van Jeffrey Young. Waar de schemagerichte therapie aanvankelijk werd ontwikkeld voor de individuele ambulante begeleiding, werden ondertussen ook groepstoepassingen uitgewerkt (Muste e.a., 2009).
Binnen het zorgtraject gingen we op zoek naar de vertaling van deze modellen naar de klinische praktijk. Dit leidde tot de verrijking van het ambulant behandelaanbod met o.m. een procesgroep. De concrete werking van het zorgtraject tijdens deze fasen wordt voorgesteld vanuit deze procesgroep. Achtereenvolgens bespreken we de indicatoren voor deze fases van het zorgtraject en de vertaling van de gefaseerde doelstellingen in de klinische praktijk. Hierbij wordt gebruik gemaakt van concrete en patiëntgebonden doelstellingen, waarbij de individuele accenten worden gecombineerd met de voordelen van het werken in groep. Afrondend staan we stil bij de positionering van het organisatie-overstijgend team bij verloop van de behandeling, transfer naar de volgende fasen of interventies bij terugval.
Referenties
Muste, E., Weertman, A. & Claassen, A.M. (2009). Handboek klinische schematherapie. Houten, Bohn Stafleu van Loghum

S24.4 Focus op fase 2 en reïntegratie: ondersteuning en begeleiding van patiënten met een persoonlijkheidscentrum binnen het activiteitencentrum
Birgit Stroo
, ergotherapeut, CGG Noord West-Vlaanderen, Brugge

Wanneer de focus op stabilisatie van verworven vaardigheden (opgebouwd in fase 1) en de verbetering van levenskwaliteit ligt, neemt het activiteitencentrum (ac) een belangrijke positie in bij de behandeling van patiënten met een persoonlijkheidsstoornis. Op dit moment wordt de visie van het zorgtraject gecombineerd met de rehabilitatievisie (Pieters & Peuskens, 1995), waarbij empowerment een belangrijke component is. Samen met de patiënt en zijn omgeving wordt een beeldvorming van functioneren, krachten en beperkingen op de verschillende sleuteldomeinen uitgewerkt. Op basis hiervan worden in overleg concrete en gepersonaliseerde doelstellingen of werkpunten geformuleerd. Deze vormen de basis voor de uitwerking van een geïndividualiseerd zorgaanbod.
Binnen het ac wordt de patiënt ondersteund in het aangaan en onderhouden van sociale contacten, het opnemen van vrijetijdsactiviteiten, verwerven van adl-vaardigheden, het vinden van zingeving en betekenisverlening, enz. Bij deze doelstellingen waarbij geen begeleiding/ondersteuning kan worden aangeboden binnen het ac zelf, wordt samengewerkt met de aangewezen actoren in het zorgcircuit. Er gebeurt een regelmatige evaluatie van zorgvraag en –aanbod, samen met patiënt en de betrokken zorgverstrekkers. Uiteindelijk doel van dit aanbod is een voor de patiënt betekenisvolle deelname aan demaatschappij.
Referenties
Pieters, G. & Peuskens, J. (1995). Rehabilitatie van de chronische psychiatrische patiënt. Leuven, Garant

Symposium 25
woensdag 15 september 2010 voormiddag 9u15 - 10u45

Delinquent gedrag in de adolescentie: recente inzichten in ontwikkelingstrajecten en behandeling

Voorzitter: Bie Tremmery

S25.0 Inleiding
Bie Tremmery
, kinder- en jeugdpsychiater, MPI De Oase, Gent; UPC KULeuven, campus Kortenberg

Delinquente jongeren vormen een heterogene groep. Vaak is er sprake van een complexe psychosociale en psychiatrische problematiek. In het symposium worden diverse ontwikkelingstrajecten naar delinquent gedrag in de adolescentie geschetst, vanuit associaties met temperaments- en persoonlijkheidskenmerken als psychiatrische stoornissen. Er wordt stilgestaan bij de hervalpreventie voor delinquente jongeren en de implicaties op de forensische behandelprogramma’s.


S25.1 Psychopathische kenmerken als indicator van een specifiek ontwikkelingstraject naar gedragsproblemen bij jongeren: associaties tussen psychopathische kenmerken en temperaments- en persoonlijksfactoren
Annelore Roose
, aspirant Fonds Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen, onderzoeksgroep Klinische Psychologie, KULeuven

De aanwezigheid van psychopathische kenmerken (vb. gebrekkige empathieen schuldgevoelens, narcisme, …) vervult een belangrijke rol in het subtyperen van jongeren met gedragsstoornissen. Verscheidene studies tonen aan dat de aanwezigheid van psychopathische kenmerken geassocieerd is met ernstigere agressie, minder vooruitgang in behandeling en voorspellend is voor herval in delinquent gedrag. Daarnaast vertonen gedragsgestoorde jongeren met en zonder psychopathische kenmerken ook een ander profiel van persoonlijkheid en temperamentsfactoren. Deze verschillende profielen komen in deze bijdrage aan bod.
We focussen eerst op hoe psychopathische kenmerken bij jongeren beschreven kunnen worden als een specifieke constellatie van algemene persoonlijkheidskenmerken. Verder behandelen we hoe psychopathische kenmerken bij jongeren geassocieerd zijn met reactieve en zelf-regulatieve aspecten van temperament. Het idee dat temperamentsfactoren onderliggend zijn aan het ontstaan van psychopathische kenmerken is cruciaal in verscheidene belangrijke psychopathie theorieën. Nochtans is het verband tussen psychopathische kenmerken en traditionele temperamentsfactoren tot nog toe weinig bestudeerd. De belangrijkste theorieën over psychopathie worden besproken en gerelateerd aan één van belangrijkste theoretische kaders in de temperamentsliteratuur: the Reinforcement Sensitivity Theory (Gray, 1970).
De bespreking van de bevindingen uit onze eigen studies leveren een verder inzicht in het temperaments- en persoonlijkheidsprofiel van psychopathische kenmerken bij jongeren. We staan stil bij de relevantie van deze bevindingen voor verder onderzoek en voor de klinische praktijk.
Referenties
Gray, J. A. (1970). The psychophysiological basis of introversion-extraversion. Behaviour Research and Therapy, 8, 249-266


S25.2 De relatie tussen ADHD, anti-sociale gedragstoornis en delinquent gedrag
Bie Tremmery
, kinder- en jeugdpsychiater, MPI De Oase, Gent; UPC KULeuven, campus Kortenberg

Aandachtstekort-hyperactiviteitstoornis of AttentionDeficit/Hyperactivity Disorder (ADHD) is een veel voorkomend kinderpsychiatrische stoornis met een belangrijke negatieve impact op het functioneren van het kind als individu, in zijn gezin, op school en met zijn leeftijdsgenoten. ADHD kan leiden tot belangrijke beperkingen in de sociale vaardigheden en sociale adaptatie.
De prevalentie van ADHD in daderpopulaties is verhoogd en afhankelijk van de methodologie van de studie en de wettelijke context variëren de schattingen van 40% tot 72%. In een forensische populatie is ADHD bijna altijd geassocieerd met een antisociale gedragsstoornis of conduct disorder (CD), waarbij verschillende types van delinquent en grensoverschrijdend gedrag gezien wordt.
Onderzoek toont aan dat hoofdzakelijk de ADHD-kinderen met CD een ontwikkeling kennen tot een anti-sociale persoonlijkheid (Satterfield etal., 2007). Hoewel de relatie tussen ADHD en delinquent gedrag reeds frequent beschreven werd, is de etiologie van deze correlatie onduidelijk. Verschillende aspecten van relatie tussen ADHD en CD worden toegelicht op symptoomniveau, neuropsychologische riskfactoren, neurologisch dysfunctioneren en ontwikkelingsniveau.
Referenties
Satterfield, J. H., Faller, K. J., Crinella, F. M., Schell, A. M.Swanson, J. M., & Homer, L. D. (2007). A 30-year prospectivefollow-up study of hyperactive boys with conduct problems: Adultcriminality. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 46(5), 601-610


S25.3 Inschatten van hervalrisico, sterktes en de relatie met behandeldoelen bij delinquente adolescenten
Stef Decoene
, dr.in de psychologie, Vakgroep Criminologie, VUBrussel; Onderzoeksgroep Psychodiagnostiek & Psychopathologie, KULeuven

Risicotaxatie wordt ook bij minderjarige plegers van norm overschrijdend gedrag te vaak uitgevoerd als een loutere diagnose gericht op controle(en behandelingsexclusie), eerder dan als een uitspraak die integraal deel uitmaakt van een forensische behandeling. Hiermee mist risicotaxatie al snel aansluiting bij de gekende werkzame principes van forensisch effectieve interventies.
In de bijdrage wordt stilgestaan bij risicotaxatie als onderdeel van een meer omvattend veranderingsgericht forensisch-diagnostisch proces waarbinnen ook delictanalyse, sociale inbedding en eventueel aanwezige psychopathologie plaats hebben. Daarnaast wordt de forensische relevantie van diagnostiek van sterktes van de jongere en zijn context binnen een evidence-based en practice-based behandelingsplan belicht. Belangrijke conclusies t.a.v. state-of-the-art forensische behandelingenworden besproken.


S25.4 Evidence-based werken met forensische jongeren op een forensische intensieve behandelafdeling
An de Decker
, psycholoog, UPC KULeuven, campus Kortenberg

In deze bijdrage wordt een state of the art gegeven van de wetenschappelijke evidentie voor het psychiatrisch residentieel werken met forensische jongeren. Er wordt stilgestaan bij de uitgangspunten van een forensische behandeling en de ontwikkeling van een forensische behandelvisie. Er een aantal forensische behandelmodellen uit de internationale literatuur worden toegelicht en hun empirische evidentie besproken. Hierbij wordt dieper ingegaan op de specifieke forensische behandelprogramma’s zoals hervalpreventie, empathietraining, sociale vaardigheidstraining en gewetensvorming en de typische groepsdynamische facetten van de doelgroep.Tot slot wordt een eerste vertaling gemaakt van de bestaande wetenschappelijke evidentie naar de praktijk van de nieuwe forensische behandelunit voor jongeren in het UPC KU Leuven, campus Kortenberg.


Symposium 26
woensdag 15 september 2010 voormiddag 9u15 - 10u45

Psychomotorische symptomen bij de majeur depressieve stoornis

Voorzitter: Didier Schrijvers

S26.0 Inleiding
Didier Schrijvers
, faculteit geneeskunde, Collaborative Antwerp Psychiatric Research Institute (CAPRI), Universiteit Antwerpen; PZSint-Norbertushuis, Duffel

Psychomotorische vertraging en agitatie behoren tot de kernsymptomen van een majeur depressieve stoornis (MDS). De voorbije decennia werd dit symptoomcluster uitgebreid onderzocht en werd het belang van deze psychomotorische symptomen voor zowel diagnostiek als behandeling van de depressieve stoornissen alsmaar duidelijker. Dit symposium licht het belang van deze symptoomcluster bij de benadering van MDS verder toe door middel van drie presentaties. Een inleidende voorstelling geeft een overzicht van de bestaande kennis over deze symptomen en hun mogelijke impact op de aanpak van MDS in de dagelijkse praktijk. Vervolgens worden resultaten voorgesteld van onderzoek naar het verband tussen dit symptoomcluster en de functionele uitkomst bij MDS. Tot slot wordt dieper ingegaan op MDS bij bejaarden, met een focus op het belang van psychomotorische en cognitieve symptomen voor de subtypering van MDS binnen deze specifieke populatie.


S26.1 Het belang van psychomotorische symptomen bij de benadering van majeure depressie
Didier Schrijvers
, faculteit geneeskunde, Collaborative Antwerp Psychiatric Research Institute (CAPRI), Universiteit Antwerpen; PZSint-Norbertushuis, Duffel

Psychomotorische vertraging en agitatie behoren tot de kernsymptomen van een majeur depressieve stoornis (MDS). Deze bijdrage geeft een overzicht van bestaand onderzoek naar deze psychomotorische symptomen bij MDS, met een focus op het mogelijke belang van dit symptoomcluster voor de benadering en aanpak van depressieve patiënten. Psychomotorische vertraging wordt aanzien als een belangrijk diagnostisch handvat binnen de brede waaier van depressieve stoornissen. Daarnaast kan de duidelijke aanwezigheid van psychomotorische symptomen richting geven aan het uitstippelen van de meest optimale antidepressieve behandeling. Bovendien kan psychomotorische vertraging bij MDS ook gekoppeld worden aan wel omlijnde neurale substraten, met belangrijke implicaties naar de pathofysiologie en medicamenteuze therapie. Ook de prognostische capaciteit van dit symptoomcluster wordt aangehaald.

S26.2 Sociaal en professioneel functioneren bij vertraagde en niet-vertraagde majeure depressie
Marianne Destoop
, arts-onderzoeker, CAPRI, Universiteit Antwerpen
Bernard Sabbe, hoogleraar medische psychologie en psychiatrie,psychiater-psychotherapeut, Universiteit Antwerpen; PZSint-Norbertushuis, Duffel

Grote psychiatrische aandoeningen zoals majeur depressieve stoornis(MDS) leiden vaak tot verminderd sociaal en professioneel functionerenen tot een slechtere levenskwaliteit. Zo werd bij depressie aangetoond dat 20% van de depressieve patiënten permanent disfunctioneren op sociaal en professioneel vlak, terwijl slechts 20% volledig herstelt. Het blijft echter moeilijk om te voorspellen welke patiënten slechter zullen functioneren. Mogelijks kan het symptoom psychomotorische vertraging hierin een rol spelen. Tijdens deze bijdrage wordt een onderzoek voorgesteld waarin de relatie wordt nagegaan tussen psychomotorische vertraging enerzijds, en sociaal-professionele uitkomsten kwaliteit van leven anderzijds.

S26.3 Depressie bij ouderen
Lieve Beheydt
, psycholoog, CAPRI, Universiteit Antwerpen
Bernard Sabbe, hoogleraar medische psychologie en psychiatrie, psychiater-psychotherapeut, Universiteit Antwerpen; PZSint-Norbertushuis, Duffel

De huidige literatuur over depressie bij ouderen laat weinig generaliseringen toe. Depressie bij ouderen wordt gehanteerd als een parapluterm die vele ladingen dekt. Dit leidt tot tegenstrijdige onderzoeksresultaten. Net zoals bijvoorbeeld Alexopoulos e.a. (2002), die tot nieuwe indelingen komt op basis van verschillende etiologie, moet er een bottom up herschikking komen van de onderzoeksresultaten waarbij nauwkeuriger onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende symptomen. Hierbij is het ook aangewezen de normale processen van veroudering in kaart te brengen met hun mogelijke impact op de onderscheiden depressie symptomen. Een eerste driedeling in de aard van zuivere stemmingssymptomen, de motorische symptomen en de cognitieve symptomen biedt een duidelijker perspectief. De onderscheiden deelresultaten scheppen een nieuw beeld van mogelijke symptoomclusters en hun, onder meer temporele, samenhang.
Referenties
Alexopoulos, G.S. (2002). Frontostratial and limbic dysfunction in late-life depression. American Journal of Geriatric Psychiatry, 10, 687-695


Symposium 27
woensdag 15 september 2010 voormiddag 9u15 - 10u45

Nieuwe inzichten in de seksuele hulpverlening voor mannen en vrouwen

Voorzitter: Paul Enzlin

S27.0 Inleiding
Paul Enzlin
, seksuoloog, relatie- en gezinstherapeut, Context -Centrum voor relatie-, gezins- en sekstherapie, team sekstherapie, UPC KULeuven

Hoewel vaak wordt gesteld dat seksualiteit een belangrijke bijdrage levert aan de levenskwaliteit van mensen, is er in het algemeen nog weinig aandacht voor seksualiteit in de geestelijke gezondheidszorg. Daar zijn verschillende redenen voor. Veel hulpverleners vinden dat ze onvoldoende zijn opgeleid, dat ze te weinig tijd hebben, dat het een te intiem onderwerp is,... en ervaren daardoor een soort van ‘handelingsverlegenheid’ wanneer het erop aankomt om seksualiteit met hun cliënten/patiënten ter sprake te brengen.
In dit symposium wordt voorgesteld hoe er in Context - centrum voorrelatie-, gezins- en sekstherapie rond veel voorkomende seksuele problemen wordt gedacht en gewerkt. Het feit dat het veld van de seksuele hulpverlening de laatste tijd erg in ontwikkeling is, biedt tevens de kans om tijdens het symposium een aantal nieuwe inzichten uit de seksuele hulpverlening voor te stellen.


S27.1 Verminderd verlangen bekeken vanuit een intersystemisch perspectief
Anna Gysen
, Context - Centrum voor relatie-, gezins- en sekstherapie, team sekstherapie, UPC KULeuven

Verminderd verlangen is een vaak voorkomende klacht in de therapieruimte. Het is nochtans één van de meest complexe om te behandelen. Recent is er in het kader van de behandeling van verminderd seksueel verlangen meer aandacht voor een intersystemische benadering waarin individuele, relationele en intergenerationele perspectieven worden samengevoegd. In deze bijdrage wordt kort stilgestaan bij een werkbare definitie van verminderd verlangen die tevens wordt gesitueerd binnen de geschiedenis van de sekstherapie.
De focus ligt vooral op het voorstellen van de behandelopties vanuit een intersystemische perspectief, rijkelijk geïllustreerd met casusmateriaal. Een ‘verschil in verlangen’ wordt beschouwd als een product van de interactie tussen partners waarbij tevens met de individuele en transgenerationele voorgeschiedenis van beide partners wordt rekening gehouden. Er wordt dieper ingegaan op twee specifieke relationele interacties/thema’s die een invloed kunnen hebben op het seksueel verlangen, m.n. de ‘protestpolka’ van Sue Johnson en de nood aan ‘differentiatie’ van o.a. David Schnarch.


S27.2 Pijn bij het vrijen bij vrouwen: nieuwe inzichten en behandelmethoden
Hilde Toelen
, Context - Centrum voor relatie-, gezins- en sekstherapie, team sekstherapie, UPC KULeuven

Als je pijn hebt, ga je naar de dokter. Dit is ook vaak wat vrouwen doen die met pijn bij het vrijen (dyspareunie) worden geconfronteerd. Bij een arts worden hun klachten ‘genormaliseerd’ en/of krijgen ze - zondermeer (uitleg) - een glijmiddel voorgeschreven. Bij een psycholoog worden hun klachten vaak ‘geherdefinieerd’ als een relationeel probleem. Daardoor voelen veel vrouwen met dyspareunie zich vaak niet begrepen en niet geholpen in de reguliere hulpverlening.
In deze bijdrage wordt stilgestaan bij een definitie en soorten dyspareunie, wordt de doelgroep van vrouwen die komen consulteren voor dyspareunie beschreven en wordt een - in ons team vaak gevolgd - behandelparcours voorgesteld om de dyspareunie zo goed als mogelijk te beoordelen en te behandelen. Voor vrouwen met klachten van dyspareunie wordt intensief samengewerkt met de raadpleging ‘Women’s health-seksuologie’ (dienst gynaecologie - UZ Leuven). Daar wordt tijdens een eerste ‘dubbele intake’ de klacht zowel vanuit medische als psycho-relatio-seksuele invalshoek beluisterd en wordt na een multidisciplinaire stafbespreking een behandelvoorstel geformuleerd. Daarbij wordt vaak gekozen voor een psychotherapeutische behandeling al of niet aangevuld met een consult bij de relaxatietherapeut en/of bekkenbodemtherapeut. Voor veel vrouwen is deze switch in ziektetheorie - van een medisch naar een psychologisch discours - niet altijd eenvoudig. Daarom wordt vaak een cognitief gedragsmatig model (pijncirkel van Spano) als ingangspoort gebruikt om het belang van psychologische factoren in het uitlokken, in standhouden en/ofversterken van de pijn te verduidelijken. Van daaruit wordt een trajectgestart dat oog heeft voor de relatie, cognities, emoties en het gedrag.


S27.3 Seksuele problemen van mannen: pillen of praten?!
Paul Enzlin
, seksuoloog, relatie- en gezinstherapeut, Context -Centrum voor relatie-, gezins- en sekstherapie, team sekstherapie, UPC KULeuven

In deze bijdrage wordt stil gestaan bij de trend tot het medicaliseren van de seksuele hulpverlening voor mannen. Vertrekkende vanuit casusmateriaal wordt gezocht naar 1) wat de relevantie van testosteron voor de behandeling van verminderd seksueel verlangen is, 2) wat de waarde van fosfodiësterase-5 remmers voor de behandeling van ‘erectiele disfunctie’ is, en 3) wat we moeten denken van het gebruik van antidepressiva in de behandeling van voortijdige zaadlozing.
Het uitgangpunt van deze bijdrage is niet een of-of denken waarbij de waarde van een medicamenteuze aanpak wordt vergeleken met deze van een psychotherapeutisch geïnspireerde sekstherapie om uit te maken wat het belangrijkste is. Er wordt daarentegen een pleidooi gehouden voor een en-en denken en stil gestaan bij de noodzaak voor de psychotherapeutisch geïnspireerde sekstherapie om op zoek te gaan naar een eigen (nieuwe) identiteit om zich (beter) te kunnen verhouden ten aanzien van de nieuwe medische (r)evolutie die zich in de seksuele hulpverlening heeft voorgedaan.


Symposium 28
woensdag 15 september 2010 voormiddag 11u15 - 12u45

Suïcidepreventie bij de risicogroep van suïcidepogers

Voorzitter: Cees Van Heeringen

S28.0 Inleiding
Cees Van Heeringen
, prof. dr., diensthoofd psychiatrie, Eenheid voor Zelfmoordonderzoek UGent

Suïcidepreventie behelst ondermeer acties naar risicogroepen en deskundigheidsbevordering bij gezondheidswerkers in de hulpverlening aan deze patiënten. Het Project Integrale Zorg Suïcidepogers promoot goede praktijken in de algemene ziekenhuizen in Vlaanderen: een transmuraal zorgpad heeft tot doel zorgprocessen naadloos bij elkaar te laten aansluiten.
Het Instrument voor Psychosociale Opvang en Evaluatie is een tool voor ziekenhuispersoneel. Het wordt geïntegreerd in het zorgpad en het ziekenhuispersoneel wordt getraind in het gebruik ervan. Het instrument levert data aan voor epidemiologisch onderzoek bij de populatie van suïcidepogers die zich aanmelden in het algemeen ziekenhuis. Risicofactoren, zorgbehoeften en zorgprocessen worden in kaart gebracht.
Een follow-up studie geeft aanwijzingen voor de organisatie en inhoud van de zorg. De psychiatrische liaison equipes hebben een cruciale taak in evaluatie en toegeleiden naar vervolgzorg na ontslag. De gepresenteerde initiatieven gebeuren allen met steun en/of in opdracht van het Vlaams Ministerie voor Welzijn, Gezondheid en het Gezin.


S28.1 De epidemiologie van suïcidepogingen in Vlaanderen
Gwendolyn Portzky
, onderzoekscoördinator, Eenheid voor Zelfmoordonderzoek UGent; UZ Gent K12F
Cees Van Heeringen, prof. dr., diensthoofd psychiatrie, Eenheid voor Zelfmoordonderzoek UGent

In opdracht van de Vlaamse Regering, Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, wordt sinds 1998 jaarlijks het aantal suïcidepogingen en de kenmerken van de suïcidepogers geregistreerd op de spoedopnamedienst van een aantal Vlaamse ziekenhuizen. In 2007 werd deze registratie van suïcidepogingen gevoelig uitgebreid in het kader van het Vlaams Actieplan Suïcidepreventie.
De gegevens die bevraagd worden aan de hand van het Instrument voor Psychosociale Opvang en Evaluatie van suïcidepogers, dat ontwikkeld werd om de organisatie van het zorgproces na een suïcidepoging te ondersteunen, worden ook gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek. Op die manier worden naast epidemiologische gegevens, ook data in verband met het suïcidaal proces en de psychiatrische voorgeschiedenis van de patiënten, de voornaamste problemen die zij rapporteren, hun suïcidale intentie, de motieven die zij aangeven voor de poging, en het uiteindelijke behandelplan na het ontslag op de spoedopname, geanalyseerd en geïnterpreteerd. Deze gegevens worden gepresenteerd.


S28.2 Integrale zorg voor suïcidepogers: een zorgpad ontwikkeld
Rita Vanhove
, psycholoog, suïcidepreventie, Dienst Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg, Project Integrale Zorg Suïcidepogers, Lommel

Patiënten die zich aanmelden in een algemeen ziekenhuis n.a.v. een suïcidepoging komen veelal terecht op de spoedafdeling waar de somatische evaluatie en zorg de eerste bekommernis is. De psychosociale opvang van patiënt en naasten is echter ook dan reeds aan de orde. Een correcte eerste opvang zorgt voor een afname van zorgweigeraars die onmiddellijk het ziekenhuis verlaten. Het zorgtraject start op de spoedafdeling, loopt soms via de afdeling intensieve zorgen naar een psychiatrische afdeling, eventueel in dit of een ander ziekenhuis. De coördinatie van zorgprocessen en de communicatie tussen zorgverstrekkers moet geregeld zijn zodat elke patiënt een gedegen evaluatie krijgt van risico en zorgbehoeften en toegeleid wordt naar de noodzakelijke vervolgzorg. De huisarts dient snel ingeschakeld te worden, gevraagd om het vervolgzorgadvies te ondersteunen en eventueel zélf goede zorg aan te bieden, zeker bij die patiënten die het algemeen ziekenhuis zeer snel verlaten. Reeds 45 algemene ziekenhuizen in Vlaanderen ontwikkelden een zorgpad waarbinnen het Instrument voor Psychosociale Opvang en Evaluatie wordt geïntegreerd.


S28.3 Zelfmoordonderzoek Universiteit Gent
Ciska Wittouck
, Eenheid voor Zelfmoordonderzoek Ugent
Gwendolyn Portzky, onderzoekscoördinator, Eenheid voor Zelfmoordonderzoek UGent; UZ Gent K12F
Cees Van Heeringen, prof. dr., diensthoofd psychiatrie, Eenheid voor Zelfmoordonderzoek, UGent

In een longitudinale, vergelijkende studie werden verschillende aspecten van het zorgtraject van suïcidepogers na een gestandaardiseerde psychosociale evaluatie op basis van het Instrument voor Psychosociale Opvang en Evaluatie in kaart gebracht en werd de invloed van deze zorg op suïcidaliteit nagegaan. Patiënten die werden opgevangen op basis vanhet instrument werden vergeleken met patiënten die deze opvang niet kregen. Zowel één maand als zes maanden na de indexpoging werden gestructureerde interviews van de deelnemende patiënten afgenomen tijdens huisbezoeken. In het bijzonder werden contact met spoedpersoneel tijdens de ziekenhuisopname, therapietrouw, contact met de huisarts en geestelijke gezondheidsdiensten na de opname, de aanwezigheid van suïcidale gedachten en plannen, het voorkomen van suïcidepogingen, depressieve symptomen en hopeloosheid bevraagd. De resultaten van de follow-up studie worden besproken.


S28.4 Opgenomen op een medische afdeling na een suïcidepoging: de rol van maatschappelijk werker, liaisonpsycholoog en/of -psychiater
Joris Vandenberghe
, psychiater, UPC KULeuven, campus Leuven;Universitair Ziekenhuis Gasthuisberg; Centrum Geestelijke Gezondheidszorg Vlaams-Brabant Oost, Leuven

Wanneer een suïcidepoging ernstige lichamelijke gevolgen heeft, dringt een opname op een niet-psychiatrische afdeling in het algemeen ziekenhuis zich vaak op. Dit kan ondermeer een afdeling intensieve zorgen zijn, een brandwondencentrum, of een afdeling interne geneeskunde of heelkunde… Vaak is de nood aan psychiatrische, psychotherapeutisch een psychosociale zorgen echter even groot. In het beste geval werken maatschappelijk werker, psycholoog en liaisonpsychiater dan samen om deze zorgen te bieden.
Op een praktijkgerichte manier bespreken we waaruit deze zorgen bestaan en overlopen we mogelijke problemen. In de hulpverlening heeft men aandacht voor de therapeutische relatie met deze patiënten, de inschatting van het suïciderisico, de beveiliging van de patiënt (secundaire preventie), diagnostiek en aanpak van onderliggende psychopathologie en/of medische problemen en/of psychosociale problemen, complicaties van medische problemen, opvang van de naasten, vervolgzorg na de medische opname en communicatie met de medische afdeling, met de huisarts en andere betrokken hulpverleners. Mogelijke problemen zijn de beperkte mogelijkheden tot beveiliging op een medische afdeling, gebrek aan coöperatie, de grijze zone tussen suïcidaliteit en euthanasie, de gedwongen opgenomen patiënt op een medische afdeling en de samenwerking met en communicatie tussen afdeling, maatschappelijk werker, psycholoog en liaisonpsychiater.


Symposium 29
woensdag 15 september 2010 voormiddag 11u15 - 12u45

Psychiatrie kunstzinnig verbeeld

Voorzitter: Anne Clara

S29.0 Inleiding
Anne Clara
, psychiater, CGG Andante, Antwerpen

Dit symposium onderzoekt aspecten van geestelijke gezondheid en geestelijke gezondheidszorg in de beeldende kunst, literatuur en film. We richten ons op vragen als: hoe worden psychiatrische aandoeningen in de kunst verbeeld? Wat hebben kunst en psychiatrie - al dan niet - met elkaar te maken? Wat kan kunst ons over geestelijke (on)gezondheid leren? Hoe worden de gangbare opvattingen over psychiatrie in deze diverse culturele media weerspiegeld? We besteden aandacht aan:
• Vertekende beelden: psychiatrie in de plastische kunst
• Woorden van waanzin: de beschrijving en verbeelding van psychische aandoeningen en van psychiatrische patiënten in diverse literaire vormen
• Hallucinante beelden: de - dikwijls negatieve en beangstigende - uitbeelding van psychosen in speelfilms.


S29.1 Vertekende beelden: psychiatrie in de plastische kunst
Erik Thys
, psychiater, PSC Sint-Alexius Elsene; UPC KULeuven, campus Kortenberg

Als het over kunst en psychiatrie gaat, komen meestal de psychopathologie van de kunstenaar of de kunst van de psychisch aangedane mens in beeld. Er bestaat echter ook een lange traditie van kunst over psychiatrie, ouder dan de traditie (met permissie) van de outsiderkunst. De geschiedenis van de beeldvorming over psychiatrie in de kunst is artistiek boeiend, maar is ook een geschiedenis van de visies en attitudes tegenover mensen met psychische problemen en de wereld van de psychiatrie.
Ook hedendaagse kunstenaars maken voor deze beide aspecten relevant werk. Er zijn vandaag vele configuraties mogelijk van waaruit kunstenaars de psychiatrie verbeelden. Sommigen kunstenaars kruipen in de huid van de psychiatrische patiënt en komen zeer dicht bij een authentiek mede-leven, anderen zijn ironische observatoren van de gekke wereld van de psychiatrie, nog anderen geven commentaar als ervaringsdeskundigen. Velen onder hen worstelen met de vraag over de grens, de dunne lijn tussen normaal en abnormaal, tussen psychiatrie en maatschappij, tussen insiders en outsiders.


S29.2 Woorden van waanzin: de beschrijving en verbeelding van psychische aandoeningen en van psychiatrische patiënten in diverse literairevormen
Sofie Vandamme
, onderzoeker, Erasmusmc, Rotterdam

Psychiatrische aandoeningen zijn een regelmatig terugkerend onderwerp in de literatuur. Soms is dat expliciet het geval zoals in autobiografische verhalen van mensen die getuigen over hun ervaringen met een specifiek ziektebeeld. Denk bijvoorbeeld aan de recente golf van publicaties over de depressies van bekende en minder bekende Vlamingen en Nederlanders. Literaire vertellingen van het fictieve genre worden doorgaans als meer kunstzinnig beschouwd. Ze gaan meestal niet uitdrukkelijk over een of andere specifieke psychische stoornis of psychiatrische ziektebeeld, maar kunnen een bron van reflectie over ziektebeelden zijn zoals bijvoorbeeld depressie of melancholie.
In deze bijdrage komt aan bod hoe beide zowel beelden als verbeelding van ziekte zijn. Vervolgens beantwoorden we de vraag of en zo ja wat we in beide verhalengenres kunnen leren over de psychiatrie, over psychiatrische ziektebeelden en over patiënt zijn. Ten slotte staan we stil bij de vraag wat het effect is van deze beide literatuurgenres ophet maatschappelijke beeld dat we over deze aandoeningen hebben.


S29.3 Hallucinante beelden: de filmische verbeelding van psychosen
Anne Clara
, psychiater, CGG Andante, Antwerpen

De cinema heeft een voorliefde voor de meer spectaculaire vormen van psychopathologie. Depressies zijn daarom zelden op het scherm te zien, maar psychosen komen veelvuldig aan bod. De uitbeelding van psychotische stoornissen in speelfilms is dikwijls negatief en beangstigend. Soms treedt er ook verwarring op met andere psychopathologie.
Psychotische personages fungeren in horrorfilms als moordenaars of andere boosdoeners, ‘gevaarlijke gekken’ dus. Ook in andere filmgenres is de weergave van een psychotisch ziektebeeld zelden realistisch. Zelfs films die een redelijk correct beeld tonen van de psychotische symptomatologie, zijn vaak zo somber en deprimerend dat ze niet zondermeer als psycho-educatief materiaal te gebruiken zijn.
Veel psychotische filmpersonages sterven door moord of zelfmoord. Een ander vooroordeel dat door veel films in stand gehouden wordt is dat psychose te wijten zou zijn aan de slechte invloed van familieleden, in de eerste plaats de ouders. Deze negatieve stereotypering heeft zeker invloed op de perceptie van psychotische stoornissen en patiënten in de publieke opinie.


Symposium 30
woensdag 15 september 2010 voormiddag 11u15 - 12u45

(psycho)dynamiek in de chroniciteit “Van stilstand, via aanhaken, naar beweging”

Voorzitter: Lucas Joos

S30.0 Inleiding
Lucas Joos
, psychiater, PC Bethanië, Zoersel

In dit symposium wordt de werking uiteengezet van een afdeling binnen de muren van het psychiatrisch ziekenhuis voor de doelgroep van chronische psychotische patiënten.
Omdat het merendeel van onze patiënten al verschillende pogingen tot rehabilitatie of vermaatschappelijking achter de rug hebben, wordt getracht een andere manier te vinden om deze patiënten alsnog te kunnen ontmoeten en in beweging te brengen. Er wordt gebruik gemaakt van klassieke elementen uit het rehabilitatiedenken en de milieutherapie aangevuld met ingrediënten en methodes uit de institutionele psychotherapie.
Uiteindelijk doel is een zekere vermaatschappelijking tot stand te brengen binnen de muren van de afdeling zodat die later kan geëxporteerd worden naar het leven buiten het ziekenhuis. Er wordt zoveel mogelijk beroep gedaan op de latente verlangens en mogelijkheden bij de patiënt zelf. Die wordt uitgenodigd deze bij zichzelf te onderkennen via een appellerend maar respecterend milieu waarin hulpverleners en patiënten samen op ontdekking gaan. Er wordt gepoogd een tegengewicht te creëren voor de negatieve symptomen en het milieu zo weinig mogelijk institutionaliserend te maken. Daarbij lijkt het noodzakelijk de gekende te paden verlaten en worden de functies van de hulpverleners geherdefinieerd. Twijfels, valkuilen en successen van deze aanpak worden besproken en voorgelegd aan het publiek.
De verschillende disciplines komen aan het woord en tot slot wordt een film getoond over de concrete werking.


S30.1 Van asiel naar intramurale vermaatschappelijking
Lucas Joos
, psychiater, PC Bethanië, Zoersel

Binnen de huidige maatschappelijke context en de trend tot vermaatschappelijking in de geestelijke gezondheidszorg lijken de chronische ‘verblijfsbedden’ binnen het psychiatrisch ziekenhuis onder vuur te liggen. De cure verdringt de care, het genezingsparadigma wint snel terrein. Al snel worden chronische T-bedden beleefd (en door het federaal kenniscentrum met de vinger gewezen) als een asiel met pejoratieve bijklank.
Maar is dat wel terecht? Is een ‘chronische ‘afdeling anno 2010 nog een asiel? Blijft het ziekenhuis institutionaliserend en staat het de vermaatschappelijking in de weg?
In deze bijdrage wordt het tegendeel beweerd. Het ziekenhuis heeft ook nu nog zijn waarde en is zich terdege bewust van de gevaren van institutionalisering. Door het creëren van een specifiek therapeutisch milieu maakt het vermaatschappelijking mogelijk binnen de afdeling waardoor de kloof met de, voor de psychoticus bedreigende, buitenwereld kleiner kan worden.


S30.2 Een kader voor het alledaagse werk : samen zoeken naar zin
Isabelle Voorspoels
, psychologe, PC Bethanië, Zoersel

Schizofrenie is een chronische ziekte, maar een schizofreen mag niet chronisch worden. In deze paradoxale werkelijkheid dient de hulpverlener samen met de patiënt op ontdekking te gaan. Kan er doorheen de gekwetstheid opnieuw gezocht worden naar verlangens en dromen? In het alledaagse leven op de afdeling proberen we ontmoetingen met patiënten te creëren en beweging op gang te brengen. Dit vereist een kader dat buiten de klassieke lijnen durft te kleuren. Een kader dat ruimte maakt voor het trage, onzichtbare en creatieve werk van alledag.
Enkele theoretische begrippen (ontleend aan het rehabilitatiedenken, deinstitutionele en millieutherapie) die deze visie ondersteunen worden toegelicht. Een casus van een chronisch psychotische dame slaat de brug naar het concrete (psycho)therapeutische werk van alle dagen.
Referenties
Ledoux, M. (2004). Waar zijn we toch mee bezig? Literarte
Petry, D. & Nuy, M. (1997). De ontmaskering. De terugkeer van het eigen gelaat van mensen met chronisch psychische beperkingen. Utrecht, SWP


S30.3 Van witte schort naar kleurrijk figuur
Annick Goedtkindt
, psychiatrisch verpleegkundige, PC Bethanië, Zoersel

Als psychiatrische verpleegkundige werk ik reeds “vele” jaren met chronische psychotische patiënten. Dag na dag, week na week, jaar najaar ontmoette ik hen op alle mogelijke ogenblikken.
Hoe ontmoeten we hen, hoe brengen we dynamiek in hun chroniciteit? Verplichten wij hen tot badlijsten, takenlijsten, vaste eetmomenten en medicatierondes of laten wij alles los, halen wij hen aan en gaan we samen op weg? Zoeken we naar lichtpunten waardoor hun individuele mogelijkheden en ingesneeuwde talenten en kwaliteiten terug een weg naar buiten vinden? Is dat dan een manier om de identiteit van de psychoticus aan te sterken en de vaak opgemerkte leegte terug in te kleuren?
Bieden wij ankerpunten aan zodat ze van tijd tot tijd kunnen aanmeren, om tot rust te komen en veiligheid te voelen in hun chaotisch, angstig en strijdvaardig bestaan?
In deze bijdrage wordt het psychiatrisch verpleegkundige werk op de afdeling toegelicht en wordt duidelijk dat de klassiek invulling ervan moet worden verlaten om de ontmoeting mogelijk te maken. Dat creëert nieuwe en andere verpleegkundige opdrachten die vele onbeantwoorde vragen oproepen.


S30.4 Van opgelegde therapie naar gekozen atelier
Geert Piedfort
, activiteitenbegeleider, PC Bethanië, Zoersel

Als activiteitenbegeleider geef ik inhoud aan het programma op de afdeling, afgestemd op de behoeften en verlangens van onze cliënten. Het programma krijgt vorm in overleg met de bewoners en wordt voortdurend door hen bijgestuurd of gewijzigd. Daartoe werden instrumenten ontwikkeld en geïntegreerd die niet in het klassieke psychiatrische arsenaal voorkomen. Aangetoond wordt hoe de activiteit een instrument kan zijn om een therapeutische relatie aan te gaan en het welzijn en unieke van de bewoner te ontwikkelen. Dit a.d.h.v. klinisch materiaal(casussen) en via het tonen van een film over een concreet project.


Symposium 31
woensdag 15 september 2010 voormiddag 11u15 - 12u45

Kiezen voor paarden in de hulpverlening aan risico-jongeren

Voorzitter: Kristel Verhaegen

S31.0 Inleiding
Kristel Verhaegen
, klinisch psycholoog, psychodynamisch psychotherapeut, equi-therapeut, K-dienst AZ Nikolaas, Sint-Niklaas

Dit symposium behelst de kennismaking met het werkveld van EquineAssisted Psychotherapy (EAP) volgens het model van Eagala (EquineAssisted Growth and Learning Association: www.eagala.org). De therapie bestaat uit het uitvoeren van opdrachten met, naast en tussen verschillende paarden met als doel vastgeroeste gedragspatronen tot een creatieve verandering te brengen en vaardigheden ervaringsgericht tot ontwikkeling laten komen of te bevorderen. Het begeleidingsteam bestaat uit de samenwerking tussen een (psycho)therapeut en een paardentrainer. De methodiek blijkt effectief in het werken met risico-jongeren. Deze therapievorm biedt de mogelijkheid om een moeilijke en kwetsbare doelgroep in de jeugdhulpverlening toch te bereiken als klassieke verbale psychotherapie te kort schiet.
Het symposium start met het schetsen van het Eagalamodel. Vanuit De Sleutel Dagcentrum Brugge (DCBG) stellen Marianne Depestel en Tom Vanhoutte vervolgens hun groepsproject voor in de hulpverlening aan jonge drugsverslaafden. Ook in de kinder- en jeugdpsychiatrie van het AZ Nikolaas maakt EAP deel uit van het behandeltraject in de crisisopnamegroep voor adolescenten. Kristel Verhaegen en Kristof DeClercq lichten deze werking toe.
Referenties
Trotter, K., Chandler, C., Goodwin-Bond, D. & Casey, J. (2008). Acomparative study of the efficacy of group equine assisted counseling with at-risk children and adolescents. Journal of Creativity in Mental Health, 3(3), 254-284
Shultz, B. (2005). The effects of Equine-Assisted Psychotherapy on the psychosocial functioning of at-risk adolescents ages 12-18. Unpublished Masters Thesis. Denver Seminary. Denver, CO


S31.1 Paarden als extra troef in project vroeginterventie kwetsbare jongeren
Marianne Depestel
, Equi Mare, praktijk voor Paarden en Persoonlijke Groei
Tom Vanhoutte, begeleider project vroeginterventie DCBG De Sleutel; Equi Mare, praktijk voor Paarden en Persoonlijke Groei

De Sleutel Brugge start in 2010 met een vroeginterventie project voor kwetsbare jongeren waarbij het werken met paarden volgens de Eagala-methodiek systematisch wordt opgenomen in het behandelingsplan.Tijdens de duur van het project komen de 15 tot 18-jarigen zeven maal langs voor een groepssessie. In deze sessies staan het groepsproces, sociale vaardigheden en het bewuster hanteren van hun risicogedrag centraal.
Deze bijdrage licht twee gelijkaardige trajecten toe en geeft zicht op de meerwaarde van het werken met paarden. De non-verbale en fysieke elementen van deze werkvorm, de mogelijkheden om in groep te werken en vooral het actieve van deze methodiek zijn complementair en versterkend voor de specifieke drughulpverlening bij jongeren.


S31.2 Diversiteit in het behandelplan: paarden inspireren jongeren in crisis
Kristel Verhaegen
, klinisch psycholoog, psychodynamisch psychotherapeut, equi-therapeut, K-dienst AZ Nikolaas, Sint-Niklaas
Kristof De Clercq, psychiatrisch verpleegkundige, adjunct-afdelingshoofd, K-dienst AZ Nikolaas, Sint-Niklaas

Op de dienst kinder- en jeugdpsychiatrie van het AZ Nikolaas te Sint-Niklaas wordt de keuze gemaakt voor een divers behandelaanbod meteen groot accent op non-verbale (groeps)therapievormen. In het behandelplan van de crisisgroep voor jongeren tussen 12 en 18 jaar wordt naast creatieve therapie, psychomotorische therapie en muziektherapie ook de keuze gemaakt voor psychotherapie met assistentie van paarden naar het Amerikaanse model van Eagala. Risicojongeren in crisis komen weer in beweging mede door contact met paarden, overwinnen angsten en krijgen de ruimte om te groeien in zelfvertrouwen en probleemoplossend vermogen.
In deze bijdrage wordt de methodiek, toegepast op de K-dienst, uitgelegd aan de hand van klinische voorbeelden.


Symposium 32
woensdag 15 september 2010 voormiddag 11u15 - 12u45

Patiënten- en familieparticipatie in de ggz

Voorzitter: Else Tambuyzer

S32.0 Inleiding
Else Tambuyzer
, doctoraatsbursaal, Lucas, KULeuven

De laatste jaren probeert men in de geestelijke gezondheidszorg meer naar de stem van de patiënt en zijn omgeving te luisteren. De wet op de patiëntenrechten van 2002 was in dit kader een belangrijke stap vooruit. In België staat participatie van de patiënt en zijn omgeving vooral op organisatie- en beleidsniveau nog in zijn kinderschoenen. In 2007 startte de federale overheid pilootprojecten rond patiëntenoverleg op, de zogenaamde Therapeutische projecten. Daarnaast financierde ze ook het project "Participatie patiënten- & familievertegenwoordigingen aanTherapeutische projecten en Transversaal overleg". Zes partners voeren dit project uit: twee patiëntenverenigingen (Uilenspiegel vzw en Pystoyens asbl), twee familieverenigingen (Similes Vlaanderen en Similes Francophone) en twee wetenschappelijke en coachingpartners (LUCAS-KULeuven en l’Association Interrégionale de Guidance et de Santé(A.I.G.S.)).
Het symposium omvat 5 bijdragen:
UilenSpiegel vzw presenteert zijn participatie-ervaringen in het kader van het project en gaat o.a. dieper in op de verwezenlijking van het statuut van ervaringsdeskundige in de ggz.
Similes Vlaanderen beschrijft de ervaringen van zijn vrijwilligers die participeerden in de Therapeutische projecten en verwijst naar zijn aanbevelingen voor participatie van familieleden. AIGS bespreekt de coaching van de patiënten- en familievereniging zoals toegepast in Wallonië. LUCAS rapporteert het theoretisch kader rond patiënten- en familieparticipatie en de resultaten van het onderzoek naar participatiemogelijkheden dat binnen de Therapeutische projecten plaatsvond. Bovendien presenteert LUCAS de Vlaamse resultaten van een internationaal onderzoek over participatie in wetgeving en beleid van de ggz.


S32.1 Onderzoek naar participatiemogelijkheden binnen de Therapeutische projecten
Else Tambuyzer
, doctoraatsbursaal, Lucas, KULeuven
Chantal Van Audenhove, onderzoekerscoördinator, Lucas, KULeuven

In deze bijdrage schetsen we het theoretisch kader rond patiënten- en familieparticipatie en bespreken we de resultaten van een onderzoek van de Therapeutische projecten m.b.t. participatie (gefinancierd door de F.O.D. Volksgezondheid).
We omschrijven participatie als volgt: "Participatie in de ggz betekent inspraak in besluitvorming en actieve deelname aan een waaier van activiteiten (planning, evaluatie, hulpverlening, onderzoek, training, rekrutering, etc.) vanuit de ervaringsdeskundigheid van de persoon, in samenwerking met professionals. De participatie kan zich zowel op het individuele als op het collectieve niveau bevinden" (Tambuyzer, Scheerder, & Van Audenhove, 2008). In de literatuur vinden we terug dat succesvolle participatie bepaald wordt door een goede communicatie en informatieverstrekking, ondersteuning en opleiding, gebruikerskenmerken (ziektekenmerken etc.), de attitude van hulpverleners t.o.v. participatie, duidelijke procedures voor participatie, middelen en tijd en een juridisch kader.
In het onderzoek naar de Therapeutische projecten werden drie onderzoeksvragen bestudeerd: 1) Wat is de stand van zaken wat betreft participatiemogelijkheden van gebruikers en mantelzorgers in België?; 2) Leidt de aanwezigheid van de beschreven determinanten tot participatie? en 3) Leidt participatie tot de gewenste uitkomsten?
Het onderzoek gebeurde aan de hand van interviews en vragenlijsten die zowel professionals, familieleden als patiënten bevroegen. Nagenoeg alle Therapeutische projecten van Vlaanderen en Wallonië werden bevraagd. In deze bijdrage rapporteren we de resultaten van het onderzoek.
Referenties
Tambuyzer, E., Scheerder, G., & Van Audenhove, C. (2008). Participatie van patiënten en mantelzorgers in de ggz: een literatuurstudie. Ongepubliceerde tekst. Leuven, LUCAS


S32.2 Participatie in wetgeving en beleid over geestelijke gezondheidszorg in Vlaanderen
Else Tambuyzer
, doctoraatsbursaal, Lucas, KULeuven
Chantal Van Audenhove, onderzoekscoördinator, Lucas, KULeuven
In het kader van een internationale studie (Anti-Stigma ProgrammeEuropean Network (ASPEN), gefinancierd door DG Sanco) over de beleving van stigma en discriminatie door mensen met depressie, onderzochten we de situatie wat betreft publieke participatie in wetgeving en beleid over geestelijke gezondheidszorg in Vlaanderen. In het VN Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Beperking (Artikel 29) is participatie in het politieke en openbare leven een beschermd recht, dat ook gegarandeerd wordt voor diegenen met psychosociale beperkingen en/of een psychisch probleem.
Onze bevraging startte bij het verkennen van het standpunt van NGO’s i.v.m. de ggz via vragenlijsten en interviews. De uitkomsten van deze verkenning vormen de basis voor onze vragen aan beleidsmakers in de tweede fase van het onderzoek. In de laatste fase (in 2011) zullen we samenvattingen voor het beleid publiceren en verspreiden voor elk betrokken land.
In deze bijdrage presenteren we de resultaten van de vragenlijsten en interviews om zo tot een schets van de participatiemogelijkheden in België te komen.


S32.3 Coaching van een patiënten- en familievereniging bij participatie in de ggz: een stapje over de taalgrens
Chantal Gelders
, projectmedewerker participatie, l’Association Interrégionale de Guidance et de Santé, Herstal
Bernard Jacob, projectmedewerker participatie, L'Elan ASBL, Herstal

In het project "Participatie patiënten- & familievertegenwoordigingen aan Therapeutische projecten en Transversaaloverleg" is de Association Interrégionale de Guidance et de Santé betrokken als partner met een expertise in coaching. De afgelopen drie jaar coachte de AIGS de Franstalige patiënten- en familieorganisaties(Psytoyens en Similes Francophone) uit het project bij de begeleiding van hun vrijwilligers die de organisaties vertegenwoordigen in de Therapeutische projecten en het Transversaal overleg.
Samen met de patiënten- en familieassociaties werkte de AIGS een begeleidingsmodule voor de vrijwilligers uit. Om hen op een adequate manier te vormen, was het belangrijk om een vorming "op maat" te ontwikkelen die rekening houdt met de specificiteit van de groep en van het hele project. Het vertrekpunt was dan ook het nagaan van de vormingsnoden van de vrijwilligers en de coördinatrices van de patiënten- en familieorganisatie: aan welke vaardigheden en kennis hebben zij nood?
In deze bijdrage stelt AIGS de gebruikte coachingmethode voor, gebaseerd op de Pégase-vorming die de organisatie al lange tijd gebruikt voor de permanente vorming van zijn personeel.


S32.4 Ervaringsdeskundigheid door (ex)patiënten? Herstel tussen (zelf)vertrouwen en rechten
Rafaël Daem
, ervaringsdeskundige, woordvoerder, Uilenspiegel vzw, Patiëntenvertegenwoordiging geestelijke gezondheidszorg, Brussel

UilenSpiegel vzw was en is actief in het kader van het project Participatie Patiënten en Familievertegenwoordigingen bij de Therapeutische projecten en Transversaal overleg. (Kandidaat)ervaringdeskundigen, vertegenwoordigers van Uilenspiegel vzw zijn betrokken als niet verplichte partner in het gehele project. Voor de verwezenlijking van onze doelstellingen hebben wij de sector geestelijke gezondheidszorg nodig, maar omgekeerd heeft de sector ons ook nodig. Elke patiënt streeft naar herstel (in alle dimensies). Daarnaast kunnen de patiënt en zijn organisatie een permanente rol spelen in de noodzakelijke kwaliteitsverbetering van de geestelijke gezondheidszorg. De ervaring binnen UilenSpiegel toont ons tot op heden aan dat een geijkt traject van ervaringsdeskundige evolueert op vrije basis van lotgenoot, via actieve vrijwilliger, vertrouwenspersoon, belangenbehartiger tot ervaringsdeskundige.
Wat wil UilenSpiegel vzw verwezenlijken om de participatiegraad van patiënten te verhogen (vooral op meso- en macroniveau), opdat er degelijke vertegenwoordigers aanwezig zijn die de belangen verdedigen van de patiënt vanuit "patiëntenperspectief: de verwezenlijking van het statuut van ervaringsdeskundige van de geestelijke gezondheidzorg. Ervaringsdeskundigheid is een essentieel element dat uitgebouwd en versterkt kan worden via een welomschreven kader. Uilenspiegel wil vormingspakketten voor ervaringsdeskundigen voorbereiden in samenwerking met Similes.
Last but not least pleit UilenSpiegel voor bij wet geregelde vertegenwoordiging én mandaten op mesoniveau (zie de beleidsaanbevelingen, blz. 3, 4 en 5). In 2010 en 2011 wil UilenSpiegel samen met de FOD helpen deze regeling voor te bereiden.


S32.5 Tijd voor familieparticipatie in de ggz
Hilde Vanderlinden
, projectmedewerker participatie, Similes Vlaanderen, Heverlee

Na drie jaar participatie aan therapeutische projecten en transversaaloverleg moeten wij vaststellen dat participatie van familie bij het zorgoverleg nog maar schoorvoetend lukt. Vooral bij de doelgroep volwassenen is familieparticipatie beperkt. In deze bijdrage willen wij aantonen dat er een specifiek traject zal nodig zijn om familieparticipatie te implementeren in de ggz.
Er is nog een hele weg te gaan om participatie van familie op microniveau te realiseren en we zijn ervan overtuigd dat participatie op meso- en macroniveau niet goed kan werken zonder participatie op microniveau.
Een zorgcircuit/regionaal netwerk - voor een bepaalde doelgroep - moet structureel voorzien in een dienstverlening voor familieleden die zowel informatie als ondersteuning en advies omvat, deels voor individuen, deels via groepsaanbod. Zolang er geen structurele inbedding is, maakt familieparticipatie in ggz geen kans op slagen.
Wij beschrijven verder ons voorstel tot uitbouwen van een zorgmodule ‘familie’ in de ggz en de motivering hiervoor: in welke mate werken individuele ondersteuning en groepsondersteuning bevorderend voor participatie? Wat is de meerwaarde van familieparticipatie? Waarom is het meer dan ooit tijd voor familieparticipatie?


Symposium 33
woensdag 15 september 2010 voormiddag 11u15 - 12u45

Hypnose als ‘glijmiddel’ bij vastgelopen psychotherapeutische en andere behandelingen

Voorzitter: Ria Willemsen

S33.0 Inleiding
Ria Willemsen
, consulente dermatopsychosomatiek, Dienst Dermatologie UZBrussel

De typische bewustzijnswijziging in hypnose wordt gekenmerkt door het geleidelijk glijden in een mentale toestand waarbij we een verhoogde absorptie, meer gerichte aandacht minder afleiding door externe stimulien een afname van spontane gedachten kunnen terugvinden (Oakley,Halligan, 2009). Andere bronnen worden aangesproken en daaruit kunnen nieuwe creatieve oplossingen groeien. "Glijden" via hypnose helpt mensendie vastzitten om opnieuw in beweging te komen. Hypnose als"glijmiddel" brengt een vastgelopen psychotherapeutische relatie vaak weer op gang.
De bijdrage Hypnose bij angststoornissen geeft een illustratie van de manier waarop hypnose als "glijmiddel" kan gebruikt worden op drie afgebakende interventie niveaus binnen de cognitieve gedragstherapie.
Een tweede bijdrage illustreert het gebruik van hypnotische communicatie als een "glijdende" verbinding tussen het eigen wereldbeeld van de patiënt en de metaforen die hem aangeboden worden vanuit een totaal andere culturele achtergrond waardoor er nieuwe mogelijkheden ontstaan.
In de derde bijdrage wordt een videofragment getoond waarin hypnose een gunstig effect had op het "glijdend" in beweging brengen van een vastgelopen behandeling bij bulimia nervosa en affectieve verwaarlozing.
De laatste bijdrage illustreert het nut van hypnotische suggesties binnen de dermatologische setting wat nuttig is om patiënten met diverse stress gebonden huidziekten te laten " glijden" naar een verbeterd psychisch welzijn.
Referenties
Oakley, D. & Halligan, P. (2009). Hypnotic suggestion and cognitive neuroscience. Trends in cognitive sciences, 13, 264 – 270


S33.1 Hypnotherapie als ‘glijmiddel’ bij angststoornissen: een illustratie van de manier waarop hypnose geïntegreerd kan worden binnencognitieve gedragstherapie
Wilfried Van Craen
, gedragstherapeut, seksuoloog, Melle

Tijdens deze bijdrage situeren we de hypnotische technieken op drie interventie niveaus: het emotioneel-fysiologische (de beleving van angst en paniek), het gedragsmatige (het omzetten van vermijding gedrag naar confrontatiegedrag) en het cognitieve niveau (de perceptie van de angstinducerende situatie) en hebben we telkens oog voor de meerwaarde die de hypnotische procedures kunnen bieden. We doen dit aan de hand van een concrete casus, zodat de theorie meteen geïllustreerd wordt door de praktijk.
Referenties
Van Craen, W. (2007). Le traitement de l’anxiété. In: A.Bioy & D. Michaux. Traité d’hypnothérapie. Paris, Dunod


S33.2 ‘Glijden’ tussen wormgaten, wereldbeelden en metaforen
Bruno Van Opstal
, psychiater, psychotherapeut, Afdeling Trauma, PsyQ, Den Haag

Eén van de leidende principes bij hypnose is het principe van ‘pacing en leading’, eerst trachten aan te sluiten bij de belevingswereld van de patiënt (pacing), om nadien via metaforen en andere hypnotherapeutische technieken trachten een verandering aan te brengen aan de manier waarop de patiënt/cliënt in de zijn wereld staat (leading).
We kunnen daarbij in de leer gaan bij de indiaanse sjamanen van weleer, met hun ‘medicijnwiel’, zo ook bij de niet-zo-ver-van-ons-bed islamitische genezers, die aansluitend bij het wereldbeeld van hun cliënt, een ‘shift’ veroorzaken in hun ‘point of view’, hun schema, hun referentiekader. Want daar komt het in essentie bij hypnose op neer, een wijziging aanbrengen in het referentiekader van de patiënt, waardoor nieuwe mogelijkheden, oplossingen en bronnen aangeboord kunnen worden.
Sjamanen en islamitische genezers kunnen ons inspireren bij het toepassen van metaforen in de hypnose, want metaforen kunnen een verschuiving veroorzaken in onze attitude van in de wereld staan ("op die manier had ik het nog niet bekeken...").
Referenties
Van Opstal, B, (1996). Metaforen: workshop gehouden op een studiedag van de Vlaamse Vereniging van Psychiaters - Psychotherapeute, VVPP-Cahier,4, 29-38
Van Opstal, B. (1997). Een berg te vroeg: mythen, metaforen en wereldbeelden als transcultureel bruggenhoofd. Anderzijds, 3, 5-12


S33.3 Hypnose als ‘glijmiddel’ bij het verwerken van emotionele verwaarlozing
Johan Vanderlinden
, psycholoog-psychotherapeut, coördinator zorgprogramma eetstoornissen, UPC KULeuven, campus Kortenberg

In dit videofragment wordt getoond hoe hypnose een doorbraak kan forceren binnen een vastgelopen behandeling bij een probleem van bulimia nervosa en affectieve verwaarlozing. Tijdens de hypnotische trance ontstaat een gesprek tussen patiënte en haar vader wat resulteert in een nieuwe positieve wending in de behandeling.


S33.4 Hypnose en dermatologie: ‘glijdend’ naar vermindering van angst en depressie
Ria Willemsen
, consulente dermatopsychosomatiek, Dienst Dermatologie UZBrussel

Talrijke huidziekten worden beïnvloed door stress of kunnen angst, schaamte, sociale fobie of depressie uitlokken. Hypnotherapie bij huidklachten wordt gebruikt om jeuk en pijn te verminderen maar ook om zich te leren ontspannen of meer zelfvertrouwen op te bouwen. Bij huidoperaties is deze aanpak ook efficiënt om angst en pijn te verminderen.
In het UZBrussel werd recent een doctoraatsproject afgelegd rond het gebruik van hypnose bij de auto-immune haarziekte alopecia areata (AA). AA start met één of meerdere kale plekken maar kan soms naar volledige kaalheid evolueren. Doordat plotse opstoten van haarverlies veel angst kunnen uitlokken, zijn de psychologische gevolgen van de ziekte erg zwaar.
Uit ons onderzoek bleek dat hypnotherapie erg gunstig was voor de psychische evolutie van deze patiënten. Bij deze aanpak werd een specifiek standaardprotocol gebruikt met verschillende symptoomgerichte en egoversterkende suggesties die we tijdens de bijdrage illustreren.
Referenties
Willemsen, R. & Vanderlinden, J. (2008). Hypnotic approaches for alopecia areata. International Journal Clinical Hypnosis, 47, 903-10
Willemsen, R., Vanderlinden, J. & Roseeuw, D. (2002). Hypnose in de dermatologische praktijk. Nederlands Tijdschrift Dermatologie, 12, 89–92


Symposium 34
woensdag 15 september 2010 namiddag 13u45 - 15u15

Over het lijf van de patiënt met schizofrenie. Het psychologisch onderzoek, de therapie en een getuigenis

Voorzitter: Stefaan Soenen

S34.0 Inleiding
Stefaan Soenen
, doctor in de psychologische wetenschappen, UPC KULeuven, campus Kortenberg

De drie bijdragen uit dit symposium bieden drie verschillende perspectieven op het verstoorde lichaamsbeeld van de psychotische mens. De thematiek van de lichaamsbeleving is aanwezig in de eerste geschriften over schizofrenie en ze blijft tot op heden een klinisch relevante invalshoek. Inzichten over de psychotische lichaamsbeleving maken een meer diepgaand begrip van de schizofrenie mogelijk. Ze bieden nieuwe en waardevolle behandelingsperspectieven zoals blijkt uit recent effectiviteitsonderzoek. De centrale stelling is dat de verstoring van het lichaamsbeeld een belangrijke dimensie uitmaakt van de schizofrene problematiek.


S34.1 Schizofrenie en lichaamsbeleving: theorie en onderzoek
Stefaan Soenen
, doctor in de psychologische wetenschappen, UPC KULeuven, campus Kortenberg

Deze bijdrage biedt een zoektocht naar de hedendaagse relevantie van het denken over lichaamsbeeld en psychose. Een poging wordt ondernomen om de aangewende complexe fenomenologische en psychodynamische begrippen en theorieën om te zetten in een taal die kan gebruikt worden in de dagdagelijkse praktijk. Eigen onderzoeksbevindingen worden aangebracht als ondersteuning van de besproken theorieën.
We staan stil bij het karakter van de lichaamsbeeldstoornissen in de schizofrenie en we introduceren een belangrijk onderscheid tussen symbiotische en autistische processen. Er wordt aandacht besteedt aan de bijzondere relatie die de psychotische mens heeft met de spiegel. Dit blijkt een belangrijk aspect van de psychotische belevingswereld te zijn, hoewel er nog weinig over geschreven is. Levendige fragmenten uit het verhaal van psychotici maken het thema herkenbaar voor mensen in het werkveld.

S34.2 Een psychomotorisch programma voor jongvolwassenen met een schizofrene problematiek
Pol Depreitere
, psychomotorisch therapeut op rust, UPC KULeuven, campus Kortenberg

In de psychomotoriek gaat het niet louter om de sportieve prestatie maar wordt er door middel van allerlei bewegings- en lichaamsgerichte opdrachten een nieuwe vertrouwdheid met het eigen lichaam opgebouwd. Tijdens het uitvoeren van groepsactiviteiten ontdekt men niet alleen de eigen fysieke mogelijkheden en vaardigheden maar komt men vooral op het spoor van hoe men op een constructieve wijze kan omgaan met zijn eigen beperkingen of nog resterende mogelijkheden. Het kunnen genieten van het eigen lichaam is dus veel meer dan het uitbouwen van de fysieke conditie.
Zo pogen we langs verschillende invalshoeken in de lichaamservaringstherapie te werken op drie facetten van de lichamelijkheid: namelijk de impressie, de expressie en de zintuiglijke communicatie. Tijdens deze opdrachten gaat het vooral om het verbeterenen/of het herstel van het ‘beleven’ van de eigen lichamelijkheid, het ‘uitdrukken’ van lichamelijke ervaringen en het ‘rationeel’ gebruikmaken van het eigen lichaam.


S34.3 Hoe psychiatrische rehabilitatie het leven van patiënten en ergotherapeuten kan veranderen : een verslag uit de praktijk
Michel Mestrum
, ervaringsdeskundige, laureaat 2001 van de Belgische Stichting Roeping

De wereld van betekenis achter de woorden komt voor mij in de woorden zelf te liggen. Ik put uit de in principe oneindige hoeveelheid associatie- en combinatiemogelijkheden van taal.
Alles gaat schuiven en bewegen. Evenwel heb ik een hartverheffende relatie tot psychose. In eerlijke ontmoeting is ze lankmoedig en goedertieren. Schizofrenie mogen belijden. Daarin liggen belangwekkende mogelijkheden in taal verscholen die nog niet productief zijn gemaakt, en die zondigen tegen de huidige grammaticale en sociale conventies.
Mijn lichaam ligt geopend aangezien de toegang tot het symbolische versperd is.
Een psychoticus is vaak een gedesocialiseerde zonder mogelijkheid tot resocialisering. Mijns inziens is het lichaam een ambulante psychiatrische instelling waaruit geen ontsnappen mogelijk is. Zodoende kan het lichaam een maatschappij ontmaskeren. Aldus ontvouwt zij zich doorheen ruimte en tijd als een trouwe mingenote.
Geestesziek zijn is daarom niet alleen een beproeving voor mij. Het is ook proeven van wat mens zijn is. De rijkdom van ons zijn ontsloten. Proeft u even mee? Elkeen is op doortocht van versplintering naar symbolisme. U pelgrimeert toch ook?


Symposium 35
woensdag 15 september 2010 namiddag 13u45 - 15u15

AZIS: een project van concrete samenwerking met tal van niet-psychiatrische hulpverlening

Voorzitter: Jochen Claus

S35.0 Inleiding
Jochen Claus
, coördinator AZIS, PC Sleidinge

Binnen het therapeutisch project AZIS worden we wekelijks met onze neus op de feiten gedrukt; er zijn voor sommigen (hoge) grenzen aan onze hulpverlening. Voor personen met een ‘moeilijke’ problematiek blijken deze grenzen hoger dan voor andere. Vaak wordt de vraag naar verantwoorde zorg, verantwoord therapeutisch handelen gesteld.
In de praktijk blijkt de grens naar dit verantwoord handelen verder te liggen bij moeilijke patiënten en zorgmijders. Willen we ook voor dit publiek een draagvlak creëren dan moeten we de confrontatie aangaan met deze cliënten die de pijnpunten van onze gezondheidszorg blootleggen. De mate en de manier waarop wij als gezondheidszorg hierop een antwoord bieden zal van betekenis zijn voor de toekomst.


S35.1 Residentiële zorg vanuit niet-residentiële hoek. Een oplossing die wellicht niet zo complex is als het probleem zelf
Dirk Meesen
, psychiater AZIS, PC Sleidinge

Op een goede manier aan psychiatrie doen lijkt dezer dagen niet eenvoudig. Enerzijds worden de mogelijkheden op het vlak van behandeling verfijnder en evolueren we naar een meer gespecialiseerde en doelgroep-specifieke psychiatrie. Anderzijds werd er vanuit de maatschappij nog nooit zo sterk beroep gedaan op de sector om allerlei problemen op te lossen. Een veel gehoorde klacht daarbij is dat het aanbod niet aansluit bij de (maatschappelijke) nood. De vraag is of wij als hulpverlener zelf het bos door de bomen nog zien. Een project van concrete samenwerking met tal van niet-psychiatrische hulpverlening, leert ons dat onze expertise wel degelijk als noodzakelijk wordt gezien.


S35.2 De cliënt beschouwen vanuit zijn context. Een stap in de richting van een vaak onbekende en bevreemdende omgeving

Steven Gillis, medewerker AZIS, coördinator straathoekwerk Gent, PC Sleidinge

Binnen de hulpverlening wordt meestal gewerkt met een cliënt vanuit een specifieke setting. De cliënt wordt gezien binnen een omgeving die hem vreemd is en dit door een zeer specifieke bril. We merken dat het verschil in leefwereld, in waarden en normen van cliënten en hulpverlening aanleiding kunnen geven tot misverstanden, onbegrip, conflicten.
Willen we onze cliënten beter begrijpen dan is het ook belangrijk een zo integraal mogelijk beeld te krijgen van de leefwereld, de context. Het is een stap in de richting van een vaak onbekende en bevreemdende omgeving. Het brengt ons wel veel dichter bij het echt leren kennen van de cliënt en tot een meer gelijkwaardige relatie.


S35.3 In welke mate zijn de ggz-voorzieningen in staat om de noodzakelijke zorg aan zorgmijders te leveren en het marginaliseringproces van deze mensen te keren
Chris Van Der Sype
, medewerker AZIS, stafmedewerker, CGG Eclips, Gent

We zien in de gezondheidszorg steeds meer mensen met meervoudige problemen (waar de term dubbeldiagnose dikwijls tekort schiet). Het lijkt erop dat onze actieve welvaartstaat steeds sterker evolueert naar een duele samenleving. Met aan de ene kant de groep mensen die meekunnenen aan de andere kant de groep die niet meekan, afhaakt en zichterugtrekt. Dit laatste fenomeen wordt ook wel een marginalisering genoemd. Op het einde van dit proces worden mensen dan psychiatrische patiënt, dakloze en/of zorgmijder. In de hulpverlening zien we tendensen tot specialisatie en medicalisering van menselijke problemen. De overheid doet een appèl op de ggz en welzijnsvoorzieningen om hierop antwoorden te bedenken. In welke mate zijn deze voorzieningen vandaag in staat om vanuit de eigen organisatie de noodzakelijke zorg te leveren en deze marginaliseringprocessen te keren?


Symposium 36
woensdag 15 september 2010 namiddag 13u45 - 15u15

Eetstoornissen: een kwestie van persoonlijkheid of temperament?

Voorzitter: Walter Vandereycken

S36.0 Inleiding
Walter Vandereycken
, hoogleraar, Faculteit Psychologie KULeuven

Eetstoornissen puur op zichzelf beschouwd (as I van DSM) blijken erg te variëren doorheen de tijd bij dezelfde patiënten. Mogelijk spelen zowel bij het ontstaan als het verloop meer persoonsgebonden factoren een rol zoals temperament en persoonlijkheid. Dit kan belangrijke implicaties hebben zowel naar preventie als behandeling (therapiekeuze).


S36.1 Eetstoornissen: obsessief of impulsief?
Laurence Claes
, klinisch psychologe, docent, KULeuven

Mogelijk spelen temperamentsfactoren een rol in de ontwikkeling en het verloop van eetstoornissen. Er wordt gesuggereerd dat het om een spectrum gaat met aan de obsessieve pool de restrictieve anorexia-nervosa patiënten en aan de impulsieve pool de purgerende boulimia-nervosa patiënten.
We bespreken onderzoeken met behulp van vragenlijsten, gedragsmatige en neuropsychologische taken. De klinische implicaties van de bevindingen worden toegelicht.


S36.2 Welke rol speelt perfectionisme bij eetstoornissen?
Liesbet Boone
, klinisch psychologe, UGent

Perfectionisme wordt vaak genoemd als risicofactor voor de ontwikkeling van een eetstoornis. Hierbij moet onderscheid gemaakt worden tussen twee dimensies, verwijzend naar prestatiegerichtheid en persoonlijke standaarden enerzijds en de angst voor beoordeling anderzijds.
We bespreken de stand van zaken van het onderzoek en de implicaties voor preventie en behandeling.


S36.3 Samenhang tussen persoonlijkheidskenmerken en disfunctionele cognitieve schema’s bij eetstoornispatiënten
Els Pauwels
, klinisch psycholoog, PK Broeders Alexianen, Tienen
Eva Dierckx, verantwoordelijke wetenschappelijk onderzoek en psychodiagnostiek, Psychiatrische Kliniek Broeders Alexianen, Tienen
Laurence Claes, klinisch psychologe, docent, KULeuven

In ons onderzoek bij eetstoornispatiënten gaan we na in hoever vroege onaangepaste cognitieve schema’s, gemeten met de Young Schema Vragenlijst, samenhangen met tekenen van een persoonlijkheidsstoornis, gemeten met de ADP-IV. Op deze wijze pogen we persoonlijkheidskenmerken in kaart te brengen via enerzijds een functionele benadering met de nadruk op psychologische disfuncties en anderzijds een categoriale benadering met de nadruk op syndromale pathologie.


Symposium 37
woensdag 15 september 2010 namiddag 13u45 - 15u15

Waar clinici en academici elkaar ontmoeten: capita selecta uit de forensische psychiatrie

Voorzitter: Kris Goethals

S37.0 Inleiding
Kris Goethals
, psychiater, onderzoeker, Universitair Ziekenhuis Antwerpen, Universitair Forensisch Centrum & Universiteit Antwerpen,CAPRI

In dit symposium worden er bruggen geslagen tussen de klinische en de academische wereld. Dr. Geens en de heer De Ridder leveren bijdragen over verschillende aspecten van internering: zorg, reclassering en zorgverlening binnen de gevangenismuren. Binnen deze realiteit van elke dag klinkt er een oproep tot het introduceren van wetenschappelijk onderzoek.
Drs. Willemsen en Dr. Goethals presenteren onderzoeksresultaten van comorbiditeit bij psychopathie, in het bijzonder een depressieve en psychotische stoornis. Beiden beamen de nood aan samenwerking met de forensische psychiatrie, zowel in ziekenhuizen als in penitentiaire instellingen.
Na de vier bijdragen is er ruimte voor discussie over de wisselwerking tussen professionals uit de praktijk en onderzoekers.


S37.1 Internering: zorg en reclassering
Tina Geens
, geneesheer-antropoloog psd, IBM/SI Merksplas & Universitair Forensisch Centrum, Universitair Ziekenhuis Antwerpen

Probleemstelling
Forensische psychiatrie behelst een individueel en maatschappelijk luik: zowel in de dagelijkse praktijk als bij het maken van toekomstplannen dient men bij de benadering van geïnterneerden rekening te houden met een aspect zorg en een aspect veiligheid. Hoewel geïnterneerden niet thuis horen in de gevangenis, noopt het gebrek aan alternatieven vaak wel tot – al dan niet langdurige – opsluiting. De verdere uitbouw van aangepaste zorgverlening binnen en buiten penitentiaire context dringt zich op. Hoe kan men maximaal voorkomen dat selectie binnen de hulpverlening de uitstroom uit de gevangenissen belemmert? Hoe kunnen reclassering en resocialisatie voor sommigen alsnog een realiteit worden? In welke mate kan de zorgverlening binnen de gevangenis hierin een rol spelen?
Resultaten
De huidige opvangmogelijkheden binnen en buiten penitentiaire context zijn ondermeer gebaseerd op dataverzameling inzake enerzijds het diagnostisch profiel, anderzijds de beveiligingsnoden van geïnterneerden. Gezien de vaak complexe problematiek moet men keuzes maken. De restgroep blijft aanzienlijk en ook hulpverleners binnen de gevangenis gaan steeds meer op zoek naar creatieve zorg- en reclasseringsplannen om voor deze mensen alsnog kansen in de maatschappij te kunnen creëren.
Conclusie
De discrepantie tussen instroom en uitstroom van geïnterneerden in de gevangenis leidt tot een negatieve selectie, waarvoor een verdere uitbouw van het forensisch zorgcircuit zich opdringt. Hierbinnen zouden op intensieve wijze de verschillende fasen op het vlak van therapeutische tussenkomst en beveiliging stapsgewijs moeten kunnen doorlopen worden. Via zorgpaden zouden de verschillende vormen van hulpverlening op elkaar afgestemd kunnen worden.


S37.2 Kenmerken van psychopathie bij psychotische daders: een verkennende studie
Kris Goethals
, psychiater, onderzoeker, Universitair ZiekenhuisAntwerpen, Universitair Forensisch Centrum & Universiteit Antwerpen,CAPRI

Achtergrond
De wederzijdse interactie tussen een comorbiede antisociale persoonlijkheidsstoornis en schizofrenie werd bestudeerd door Moran & Hodgins (2004). Er werd een associatie gevonden tussen de persoonlijkheidsstoornis en alcoholmisbruik- of afhankelijkheid en de ‘Deficient Affective Experience’ (DAE) score. Deze score wordt bepaald door de som van vier items van de PCL-R (Hare, 1991) en is erg voorspellend voor gewelddadig gedrag. De relatie tussen de DAE en positieve en negatieve symptomen van schizofrenie is onduidelijk.
Doel
Leidt het meten van de DAE tot het voorspellen van geweld bij psychotische delinquenten? Bestaat er een positieve correlatie tussen de score op de DAE en de score op de PANNS?
Methoden
Forensisch psychotische patiënten (n=30) worden vergeleken met chronisch psychotische patiënten uit de algemene psychiatrie (n=30) op het gebied van symptomen en agressie. De volgende instrumenten worden gebruikt: een lijst met socio-demografische variabelen, de PANSS, de DAE, de BPRS,de HCR-20, de GAF-score (as V van de DSM-IV) en de SOAS-R. Deze laatste meet de mate van agressie.
Resultaten
Voorlopige resultaten van deze studie worden gepresenteerd.
Conclusie
Aanbevelingen voor verder onderzoek en de klinische praktijk worden gepresenteerd.
Referenties
Moran, P. & Hodgins, S. (2004). The correlates of comorbid antisocial personality disorder in schizophrenia. Schizophrenia Bulletin, 30, 791-802
Hare, R.D. (1991). The Hare Psychopathy Checklist Revised. Multi-Health Systems


S37.3 3 Internering: zorgverlening binnen penitentiaire context
Joachim De Ridder
, zorgcoördinator, IBM/SI Merksplas

Probleemstelling
Het forensisch zorgcircuit krijgt steeds meer vorm en de nood aan zorgpaden binnen deze sector is groot. Gevangenissen hebben vandaag behandelteams die een plaats binnen dit circuit innemen en hebben nood aan instrumenten om de zorgcontinuïteit te kunnen verzekeren. Moeten deze behandelteams in huidige vorm - rekening houdend met hun huidige infrastructurele en juridische context - de behandeling een nieuwe relance geven of moeten behandelteams zich focussen op het beperken van de detentieschade? Welke elementen spelen mee in deze keuze?
Resultaten
De huidige bevindingen dwingen tot een genuanceerd antwoord. Een schets van het huidige aanbod roept pertinente vragen op rond de verhouding tussen repressie en behandeling, detentie- en behandelschade, wetenschappelijk onderzoek, behandelstrategieën en bejegeningstijlen.
Conclusie
Een verblijf in de gevangenis is een zo goed als standaard onderdeel van het reclasseringspad dat een geïnterneerde aflegt en vandaag spijtig genoeg nog al te vaak een al te langdurige stap in het zorgtraject van het individu. Behandelteams reveleren vooral de nood aan wetenschappelijk onderzoek en beleidskeuzes rond deze groep. De penitentiaire zorgteams zijn in die zin misschien het uitgelezen instrument om deze minst gekende en wellicht meest nefaste fase inhoudelijk zin te geven.


S37.4 Depressieve symptomen in een gevangenispopulatie en bij psychopaten in het bijzonder
Jochem Willemsen
, psycholoog, Vakgroep Psychoanalyse en Raadplegingspsychologie, UGent

Stemmingsstoornissen zijn wereldwijd één van de meest voorkomende psychologische stoornissen. Studies die een directe vergelijking maken tussen een gevangenispopulatie en de algemene bevolking, tonen aan dat majeure depressie meer voorkomt bij gedetineerden. Bij één categorie van gedetineerden zou depressie echter niet voorkomen, namelijk bij psychopaten. Psychopathie is een persoonlijkheidsstoornis die gekenmerkt wordt door een manipulatieve en dominante interpersoonlijke stijl, oppervlakkige emoties, en een impulsieve en onverantwoordelijke levensstijl die dikwijls samengaat met antisociaal gedrag.
In deze bijdrage worden resultaten gepresenteerd over het voorkomen van depressieve symptomen in een steekproef van mannelijke gedetineerden uit twee Vlaamse gevangenissen (n = 89). Het verband wordt nagegaan tussen symptomen van depressie en psychopate trekken, gemeten met de Psychopathy Checklist-Revised.
Blijkt dat de interpersoonlijke, affectieve en levensstijl factoren van psychopathie negatief geassocieerd zijn met depressie. Vooral de affectieve kenmerken van psychopathie (oppervlakkig affect, gebrek aan empathie en schuldgevoel) gaan samen met een afwezigheid van depressie. Dit betekent echter niet dat psychopathie en depressie elkaar uitsluiten. Het taalgebruik van psychopaten om een depressieve episode te beschrijven blijkt echter te verschillen van niet-psychopaten. Dit geeft ons aanwijzingen naar een andere beleving van de depressie bij psychopaten. Deze bevindingen worden in verband geplaatst met eerder onderzoek en de klinische praktijk.


Symposium 38
woensdag 15 september 2010 namiddag 13u45 - 15u15

Een integrale benadering van geestelijke gezondheid

Voorzitter: Walter Krikilion

S38.0 Inleiding
Walter Krikilion
, doctor in theologie en psychotherapeut, stafmedewerker patiëntenzorg met aandachtsgebied zingeving, Openbaar Psychiatrisch Zorgcentrum, Geel

Geestelijke gezondheidszorg gebeurt vandaag vanuit de inzet van diverse klinische disciplines. De diversiteit van de verschillende disciplines –psychiater, psycholoog, verpleegkundige, ergotherapeut, maatschappelijkwerker, … - vormt een meerwaarde. Tegelijk bevat dit ook een bedreiging. Het risico bestaat namelijk dat de persoon van de patiënt als het ware in deelgebieden uit elkaar valt en dat er geen vruchtbaar samenspel ontstaat. Bovendien kan de tendens tot protocollisering van het behandeltraject ten gevolge van een vernauwd evidence-based denken een bedreiging vormen voor een integrale bejegening van de patiënt.
In deze inleiding wordt een algemeen kader geschetst waarin samenwerken opgevat wordt vanuit zijn inherente dynamiek, met name als een gezamenlijk zoekproces naar gedeelde waarden in de zorg voor patiënten en als een permanente ‘leergemeenschap’ of ‘researchcollectief’ vanuit de praktijk.
Tegen deze achtergrond belichten de volgende bijdragen elk vanuit een specifieke invalshoek deze dynamiek van het samenwerken: de ene vanuit een reflectie op psychotherapie binnen het perspectief van interdisciplinaire samenwerking, de andere vanuit de focus op het integratief vermogen van het werken met de dimensie van zingeving en levensbeschouwing.


S38.1 Heeft psychotherapie in een multidisciplinaire setting zin?
Johannes Adriaensen
, ouderenpsychiater, PC Ziekeren, Sint-Truiden

We vertrekken vanuit de stelling: "Een psychotherapeutisch aanbod binnen een multidisciplinaire samenwerking is onzinnig". Wat is multidisciplinair? Wat zijn de consequenties? Wat is interdisciplinair? Wij denken dat interdisciplinaire samenwerking een noodzakelijke basis vormt voor efficiënte psychiatrische hulpverlening. Afgeleid hiervan moeten we durven stilstaan bij de vraag: wat is therapie? En is het niet handiger te spreken van: hoe kan het samenspel van de verschillende disciplines de beoogde veranderingen in het proces van de patiënt als resultaat hebben. De resultaten van teamwerking zijn zo sterk als zijn zwakste schakel.
Wordt het vorige vervangen door het volgende? “Een psychotherapeutisch aanbod binnen een multidisciplinaire samenwerking is onzinnig".
Wij durven stellen dat interdisciplinaire samenwerking een noodzakelijke basis vormt voor efficiënte psychiatrische hulpverlening. We durven stilstaan bij de vraag: wat is therapie? Is het niet handiger te spreken van: hoe kan het samenspel van de verschillende disciplines de beoogde veranderingen in het proces van de patiënt als resultaat hebben.


S38.2 Kan zingeving het samen-werken bevorderen?
Walter Krikilion
, stafmedewerker patiëntenzorg, Openbaar Psychiatrisch Zorgcentrum, Geel
Ulrike Dausel, morele consulente, Provinciaal Centrum voor Morele Dienstverlening, Antwerpen

In deze bijdrage worden aanbevelingen en handvatten geboden met het oog op afstemming en integratie van de verschillende disciplines binnen de ggz. Dit gebeurt vanuit het perspectief van zingeving en levensbeschouwelijke zorg in een psychiatrisch ziekenhuis en in de ambulante ggz. Daarbij wordt er van uitgegaan dat zingeving eigen is aan de mens en een fundamentele plaats heeft in behandeling en therapie en dat het werken met de dimensie van zingeving en levensbeschouwing een meerwaarde vormt binnen het multidisciplinaire behandeltraject. Een meerwaarde die er ook in bestaat dat zingeving uit zichzelf een integratief karakter heeft dat de onderlinge samenwerking kan bevorderen. Inhoudelijk wordt daarbij gefocust op het thema van de omgang met onmacht en breuklijnen in het leven. Daarbij komen enkele modellen en concepten rond zingeving en levensbeschouwelijke zorg binnen de ggz aan bod.
Aan het einde van de bijdrage krijgen de deelnemers in de vragenronde de kans om vanuit de eigen klinische invalshoek van hun discipline feedback te geven.